zondag 31 maart 2013

Mob violence

Condemnation by category is the lowest form of hatred, for it is cold-hearted and abstract, lacking the heat and even the courage of a personal hatred. Categorical condemnation is the hatred of the mob, which makes cowards brave. And there is nothing more fearful than a religious mob overflowing with righteousness, as there was at the crucifixion and has been ever since. This mob violence can happen only after we have made a categorical refusal of kindness to heretics, foreigners, enemies, or any other group different from ourselves.

woensdag 20 maart 2013

I'll be perfect



I'll be perfect as soon as I get the walking on water thing down

vrijdag 3 december 2010


De onbepaaldheid die zich hecht aan de gebeurtenissen, waarvan het bestaan zo slecht de uitkomst regelt, brengt in de levenswil een twijfel binnen waarvoor de enige uitkomst is er de ongemakken van het gif of de deugd van het versterkend middel aan toe te schrijven. Telkens een pijl het doel mist, is de boogschutter on...tmoedigd of verbetert hij zijn schot. Het leven is onlosmakelijk, de boogschutter, de boog, de pijl en het doel, een eenheid waarvan het schot breekt door het te willen ontleden.

Er zijn van die momenten in het leven, waarop de motor begint te pruttelen bij een licht dat op groen springt. Is er een ergere verwarring dan te voelen dat die potentialiteit er is en tragisch het ontbreken te voelen van …?

dinsdag 15 juni 2010

De Belgische "potlatch"




Een potlatch is binnen de antropologie een term voor bijeenkomsten tussen stammen die worden georganiseerd door rivaliserende stamleiders bij Noord-Amerikaanse indianen, waarbij slaven worden doodgeknuppeld, grote hoeveelheden voedsel worden opgegeten en soms vernietigd, of andersoortige, vaak kostbare, geschenken worden gegeven, welke eveneens na afloop vaak vernietigd worden. De bedoeling is de rivaal tot een gelijksoortig feest te verplichten. Is deze daartoe niet in staat dan zal zijn stam aan prestige verliezen. In tijden van schaarste zal de stam dus zuinig moeten omgaan met voedsel, zoniet kan er geen potlatch georganiseerd worden. (Wikipedia)
In zijn ‘Essai sur le don’ stelt Mauss dat de gift (le don) een van de rotsen is waarop een maatschappij gebouwd is. Cultuur is ruil in de ruime zin van het woord, don et contre-don, waarvan de economische ruil een bijproduct is, de laatste schakel van een historisch proces.
In maatschappijen die we nu primitief noemen is er een allesomvattend voortdurend geven en teruggeven aan het werk. Het opvallende hiervan, zegt Mauss, is het vrijwillige gratuïte, vrije karakter ervan, dat echter tegelijk toch gedwongen en intéressé is. Men ruilt niet alleen goederen, maar de groepen, de clans, de families, de stammen, ruilen ook feesten, riten, militaire diensten, vrouwen, kinderen, dansen … het is een systeem van totale prestaties.
Deze verstrengeling van gift en tegengift dient begrepen te worden als de rots van de solidariteit, van de wederzijdse hulp, waarzonder een maatschappij niet kan bestaan. Het gaat dan over een zeer spontane vorm van wederzijdse hulp zoals ondermeer Marshall Sahlins die beschrijft bij de jagers- en verzamelaarsculturen. De groep staat in voor de individuen. Groepen zijn bereid om andere groepen bijstand te verlenen. Men weet dus dat men zal geholpen worden als men zelf behulpzaam is. Hulp brengt tegenhulp mee.
Een typische vorm van prestations totales, zegt Mauss, is de potlatch. Toch is deze potlatch een speciaal geval, namelijk de poging om de wederkerigheid te doorbreken, een vorm van rivaliteit en antagonisme. In de eerste plaats is de potlatch een zaak van de chefs, de rivaliteit betreft hen in de eerste instantie. Dat betekent evenwel niet dat de groep niet medeplichtig is. Maar we menen te zien dat het groepsbelang niettemin van het belang van de chefs verschilt – hoewel opvalt hoe de groep de “waarden” van de elite steeds weer bevestigt. We kunnen de potlatch zien als het rivaliteitsideaal van de elites.
Mauss zelf geeft hiervoor een indicatie. Als in Polynesië op een bepaald ogenblik de potlatch verdwijnt, dan komt dat, zegt Mauss, omdat door de installatie van een monarchie, een van de voornaamste condities wegvalt: de instabiliteit van een hiërarchie die de rivaliserende chefs precies door middel van de potlatch pogen vast te leggen.
De potlatch is de uiting van een rivaliteit die wil domineren en eer en glorie zoekt in de vernedering van de tegenpartij. De manier waarop dit gebeurt is wel speciaal, de potlatch is een perversie, waarbij de goederen van hun solidair gebruik weggetrokken worden om nog slechts te dienen als middelen voor de zelfbevestiging en zelfverheerlijking. De strijd door middel van de potlatch gaat gepaard met opwinding, met spanning, die bewust wordt gezocht. Wat men zoekt is prestige, rang, superioriteit.

Bert De Prins

donderdag 3 juni 2010

Leegte



In één van de werkjes die mijn studenten dit jaar schreven vond ik de volgende voetnoot:
“Pel je één voor één je lagen identiteit af, zoals bij een ui, dan tref je daar volgens de psychoanalye niets aan dan leegte. In onze kern treffen we geen schat, noch een parel aan, de mens is leeg in het diepst van zijn gedachten.
Als mensen er niet meer in slagen een identiteit te vormen en ‘leeg’ blijven, vallen ze vaak terug op hun lichaam. Een lichaam dat misschien moet spreken daar waar het subject zich in depressie terugtrekt. Het is niet te verwonderen dat de somatisatie steeds weliger tiert. En het lichaam sprak verder…En niemand die luisterde…”
In dit werkje wordt terecht het verband gelegd met het nihilisme en het ontbreken van identiteit dat ziekmakend is: “Sommige mensen kiezen ervoor een diagnose ‘aan te trekken’, als een mantel (der liefde). Ook dit werkt vaak identiteitsverlenend: ik ben CVS’er, ADHD’er voorziet iemand opnieuw van een identiteit, en nog liever deze negatieve identiteit dan helemaal geen identiteit.”
Anderzijds is er de terechte opmerking dat depressie tegelijkertijd symptoom en remedie is voor wat ik als filosoof ‘nihilsme’ noem: “Komt het erop neer nu niets in de wereld je nog aanspreekt, nu je in je depressiviteit verkiest niets meer te verlangen, dat je nu eindelijk kunt toekomen aan je eigen verlangens?”

Wat verstaat men eigenlijk onder de “leegte” die we volgens de psychoanalyse zouden aantreffen in de kern van de mens? Ik associeer dit met het boeddhistische concept van Leegte. In de kern van het boeddhistische inzicht is er een zekere niet-persoonlijke Fundamentele Realiteit, een oorspronkelijke Zin, een onverdeelde Eenheid. Het wordt aangetroffen in het concept van de Leegte, dat gelijkt op de Godheid van Eckhart en de Dharmakya. Dit beeld kan alleen gerealiseerd worden in de diepste mystieke ervaring, waarin alle beelden, alle processen, alle vormen, wegdeemsteren in een leeg ongedifferentieerd bewustzijn.
Leegte betekent in de Madhyamika conceptuele Leegte, d.w.z. dat het hier wel degelijk om iets positiefs gaat, dat we kunnen ervaren, maar niet conceptualiseren. Het concept Niets is geen negatie, maar dient gelezen te worden als niet-iets (no-thing), het is reëel, maar geen ding; en alleen dingen kunnen geconceptualiseerd worden. Men dient zich op de eerste plaats goed te realiseren dat er geen negatie van de fenomenaliteit kan bestaan, onder niet-fenomenaliteit kan niemand zich iets voorstellen, het is een ‘zwart gat’, waarover geen enkele uitspraak mogelijk is, en waarvan ook geen enkele ervaring kan bestaan. De fenomenaliteit komt niet allen tot ons als een wereld van zijn, en van dingen, die rationeel kunnen gecapteerd worden, maar ook als een beleving, die niet conceptualiseerbaar is, die tot uiting komt in de emotionalitiet die niet structureel beschrijfbaar is, alleen haar werking is conceptualiseerbaar. Ervaringen zijn alleen ervaarbaar. Het zijn geen analyseerbare ‘ietsen’ en ze zijn niet rationeel overdraagbaar. Zo is muziek zonder muzikale ervaring alleen maar lawaai, dat inderdaad analyseerbaar is, maar analyse van de ontroering is niet mogelijk, deze kan evenmin overgedragen worden, het is dan ook een conceptuele leegte. Die emotionele leegte wordt meestal als een volheid ervaren, ze vervult ons gemoed, maar mits ze altijd complementair gekoppeld is aan een rationele dimensie, is men zich meestal niet van deze conceptuele leegte bewust. Niets is (emotioneel) zo vol als de Leegte, niets is (conceptueel) zo Leeg als de Volheid.
Men kan deze Leegte op drie manieren benaderen.
Ten eerste als een negatief concept, het is het fameuze neti … neti ….noch … noch van de Upanishaden, het is de ‘omkering’ van de fenomenaliteit. Ten tweede is het een Mysterie, als een ongrijpbaar Niets aanwezig in de fenomenaliteit. Het is de boeddhistische idee dat elke golf in diepste wezen oceaan is, maar dat deze oceaan niet conceptualiseerbaar is. Het is de pan-theos die het ‘wezen’ van alle dingen is. Ten derde kan men het Niets idealiseren tot een autonoom Sunyata, een zee die ook los van de golven bestaat, of een God die zonder schepping of emanatie self-sufficïënt is.
Van de Japanse filosoof Nishida stamt het denkbeeld dat religies, zingevingen en culturen breekbare vlotten zijn die de mensen op open zee bouwen en waarop ze een tijdlang door de tijden drijven. De moderne mens in al zijn ‘nihilisme’ heeft in de roes van het creatieve werk, in de beheersing van de dingen en in de triomf over de voltooiing van het vlot de getijden en de open zee uit het oog verloren.
Bert De Prins

maandag 31 mei 2010

CG Jung - Feminine Archetype

Jung over "Liefde op het eerste zicht" en het vrouwelijke archetype.

zondag 21 maart 2010

De anatomische les

Rembrandt, "de anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp", 1632


Rembrandt was iemand die niet door middel van woorden, van vertellingen datgene heeft uitgedrukt wat hij beseft, maar in beelden.

Rembrandt was 26 jaar toen hij "De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp" schilderde: een groepsportret van de Amsterdamse chirurgijns (artsen). Hij was kort tevoren van Leiden naar Amsterdam verhuisd en dit was zijn eerste grote opdracht. De jonge kunstenaar liet voor het eerst zien wat hij als schilder van groepsportretten in huis had.
Rembrandt gaf de chirurgijns weer bij een anatomische les. De mannen zitten en staan rond een tafel waarop een lijk ligt. Dokter Tulp geeft onderricht. Hij heeft de arm van het lijk opengelegd en houdt met een tang een bundel armspieren omhoog, terwijl hij met zijn andere hand een demonstrerend gebaar maakt.

Maar kijk eens naar de studenten, kijk naar hun houding tijdens deze anatomische les. Kijk naar hun gelaatsuitdrukking en tracht te beleven: wat bezielt deze studenten terwijl ze dit meemaken?

Eén van de studenten zit met zijn neus bijna bovenop de arm waarop sectie wordt verricht. Een ander kijkt er helemaal niet naar – dat is de belangrijkste. Die ziet iets heel anders. Hij kijkt met verbijsterde blik in de verte. Wat ziet hij daar? Het antwoord moet iedereen zelf ontdekken.
In dit schilderij is een wereldhistorisch moment door Rembrandt samengevat. Het bevat twee elementen: aan de ene kant het gericht zijn op het dode lichaam en het streven, door middel van experimenten, het mechanisme van dit dode lichaam te leren kennen; aan de andere kant een heel andere gerichtheid, die alleen maar wordt aangeduid.

donderdag 7 mei 2009

The Yoga of Herbs


Als een microkosmos verenigt het menselijk lichaam alle fasen in zich. Binnen elk ding zijn alle dingen opgesloten. In het zaad zit de boom, in de boom zit het bos ... De levensvormen zijn stations voor de ontvangst en de overdracht van de krachten waarmee alles gevoed wordt. Elk ding bestaat om alle andere te voeden en wordt op zijn beurt zelf ook gevoed. Op deze wijze dient elk domein van de natuur om leven te ontvangen en door te geven ... Deze krachten zijn niet alleen materieel, maar omvatten ook subtiele energieën van ... spirituele aard ... In de innerlijke wereld is de centrale zon ook de bron van het leven. De innerlijke zon is ons echte zelf.

[Vassant Lad en David Frawley, The Yoga of Herbs]

zaterdag 28 maart 2009

Schaterlach


“Terwijl de cynicus melancholiek-verachtelijk glimlacht, vanuit de hoogte van de macht en haar desillusies, is het kenmerkend voor de kynicus om zo luid en ongegeneerd te lachen dat keurige mensen het hoofd schudden. Hun lachen komt uit hun buik, het heeft een animale grondslag en is ongeremd. Wie beweert realist te zijn, zou eigenlijk zo moeten kunnen lachen – die totale, bevrijdende schaterlach die schoon schip maakt met illusies en poses. Zo moeten we ons het lachen van de grote satiricus Diogenes voorstellen. Ook het gezicht van sommige lachende Boeddha’s heeft iets van die animale en zowel extatische als realistische buiklach die zichzelf zo volkomen vergeet dat er geen ik meer is dat lacht, maar alleen een vrolijkheidsenergie die tot leven komt. Wie te beschaafd en vreesachtig is in zijn gevoelens, krijgt gemakkelijk de indruk dat een dergelijk lachen iets demonisch heeft, iets duivels, onserieus, destructiefs. Men moet hier heel nauwkeurig luisteren. De duivelse lach bevat de energie van het destructieve, de scherven rinkelen en de muren storten in, het is een boosaardige schaterbui over de puinhopen. Het positieve, extatische lachen daarentegen vertoont de energie van een ja-zeggen buiten zichzelf, het klinkt ondanks alle woeste geluiden contemplatief, er wordt iets gevierd. Het is ook geen toeval dat men vaker vrouwen zo hoort lachen dan mannen, en eerder dronken mensen dan nuchtere. De duivelse energie lacht de anderen dood. In het lachen van Diogenes en Boeddha lacht het eigen ik, dat alles zo serieus had genomen zich kapot. Daarvoor is natuurlijk een grote bek nodig, die zich ongeremd wijd laat openen, niet voor grootse uitspraken, maar voor een krachtige uiting van leven. Daarin zit eerder verbazing dan gewichtigdoenerij. De grote bek die de filosoof interesseert is niet actief, maar passief, het aaah-zeggen bij vuurwerk of een bergketen of een gedachte waarbij een aha! door ons heen flitst. Bij belangrijke ontdekkingen zou men een kreet willen slaken, en wat is het loslaten van verkeerde complicaties anders dan een grote ontdekking?”

[Peter Sloterdijk, Kritik der zynischen Vernunft]

Verbitterde lippen



“De levenservaring van de slachtoffers blijkt uit hun verbittering. Hun lippen beelden een bitter zwijgen uit. Hun zal niemand meer iets wijs maken. Zij weten hoe de wereld in elkaar zit. Wie bewust teleurgesteld is, verovert misschien zelfs een kleine voorsprong op het noodlot, een marge voor zelfhandhaving en trots. De lippen die stevig opeengeklemd zijn en een smalle streep vormen, verraden de mensenkennis bij de bedrogenen. Soms hebben kinderen die door het leven teleurgesteld zijn al van die verbitterde smalle mondjes waaraan men zo moeilijk nog enige instemming met iets goeds kan ontlokken. Wantrouwen is de intelligentie van de benadeelden. Gemakkelijk wordt de wantrouwende mens echter tot domoor wanneer zijn verbittering het hem ook onmogelijk maakt te genieten van wat hem na al die pijn goed zou doen. Geluk zal er altijd uitzien als bedrog en zo goedkoop lijken dat men niet de moeite neemt het te grijpen. Door hun ervaringen uit het verleden weten de cynisch verbitterde lippen maar één ding: dat uiteindelijk alles toch bedrog is, en dat niemand hen ertoe zal brengen teergevoelig te worden en zich met het achterste van hun tong uit te leveren aan enige verlokking door de wereldwijde zwendel.”

[Peter Sloterdijk, Kritik der zynischen Vernunft]

Ondeugden en de pauzen


"Pour manier les hommes, il faut pratiquer leurs vices et en rajouter. Voyez les papes : tant qu'ils forniquaient, s'adonnaient à l'inceste et assassinaient, ils dominaient le siècle ; et l'Église était toute-puissante. Depuis qu'ils en respectent les préceptes, ils ne font que déchoir : l'abstinence, comme la modération, leur aura été fatale ; devenus respectables, plus personne ne les craint. Crépuscule édifiant d'une institution."
[Emile Michel Cioran, Syllogismes de l'amertume]

« Om over de mensen te regeren moet men hun ondeugden bedrijven en er een schepje bovenop doen. Kijk maar naar de pauzen – toen die nog van bil gingen, zich overgaven aan incest en moordden, domineerden zij hun tijd, en was de Kerk almachtig. Sinds zij de morele voorschriften van de kerk respecteren doen zij niets anders meer dan ontgoochelen; de onthouding en de moderatie zullen hun fataal zijn, eens respectabel geworden vreest niemand hen nog. Stichtende deemstering van een instituut.”
[Emile Michel Cioran, Syllogismes de l’amertume]

vrijdag 27 maart 2009

Uitgestoken tong


Welopgevoede mensen kost het moeite ‘nee’ te zeggen. Dat zou neerkomen op eigenzinnigheid, en hoe beter men opgevoed is, des te meer is eigenzinnigheid taboe geworden. Gehoorzaamheid is de eerste plicht van het kind, en later verandert dat in burgerlijke gehoorzaamheid. In kinderruzies speelt gehoorzaamheid echter nog geen rol, en daar is het dan ook niet zo moeilijk nee te zeggen en zichzelf te handhaven. Waar men in een hartstochtelijke twist verstrikt raakt, bereikt men vaak een punt waar men met woorden alléén niet verder komt. Het lichaam weet dan raad, men steekt de tong uit en maakt een geluid dat duidelijk maakt wat men van de anderen vindt. Dat is een gebaar vol energie; en naast alle andere voordelen is het ook nog ondubbelzinnig. Het komt voor dat daarbij de ogen nijdig worden dichtgeknepen en de oogleden beven van vonkende energie. Ook kan men de tong uitsteken en daarbij de ogen wijd opensperren als lachspiegels. Wie zijn tong uitsteekt komt niet in de verleiding te knikken, wanneer hij eigenlijk het hoofd wil schudden.
Nee-zeggen zit ons, wat de bewegingen van het hoofd betreft, toch al wat onzeker in het lijf, want er zijn beschavingen waar schudden en knikken met het hoofd, nee en ja, precies het omgekeerde betekenen. De uitgestoken tong zegt nee met tal van ondertonen, er kan agressie bij komen, tegenzin of spot, en het gebaar verraadt dat men de tegenpartij beschouwt als idioot of neuroot. Dat nee kan boosaardig zijn, of vrolijk, of allebei tegelijk, en dan is het leedvermaak. Men produceert daarbij gemakkelijk een geluid dat klinkt als ‘ùllà’ en goed past bij leedvermaak – bij nog meer opwinding ook wel ‘bèh’, en dan ligt de nadruk voornamelijk op minachting […] dat is het tonguitsteken dat men ziet bij Tijl Uilenspiegel […] Hij staat, als alle kynici, ergens tussen de brutale vlerk en de spontane mens, tussen het naïeve en het geraffineerde, en omdat hij met zijn ‘onsmakelijke’ instemming zo ambivalent pendelt tussen eerlijkheid en boosaardigheid, weet de conventionele moraal niet erg goed raad met hem. Hij bewijst dat wij vaak de waarheid alleen aan het licht kunnen brengen door ervoor te betalen met vlegelachtigheid […] De waarheid is vaak in strijd met alle conventies, en de kynicus speelt de rol van een moralist die duidelijk maakt dat men de moraal moet overtreden om de moraal te redden.

[Peter Sloterdijk, Kritik der zynischen Vernunft]

De cynische lach



“De kennis van de machtscynicus berust op een scheefgetrokken superioriteit. De machtige houdt zijn voordeel in het oog, al weet hij dat hij daardoor verzeild raakt in moreel dubieus vaarwater. Vanuit scheefgetrokken superioriteit ontstaat gemakkelijk een scheef lachje, een boosaardig – slim gebaar. Dat verdedigt een slechte status-quo, het onrecht. De rechten van anderen? Daar kunnen we niet aan beginnen. Honger? Wat is dat? Een van de mondhoeken, vaak de linker, wordt omhooggetrokken. De mond van de machtige maakt de splitsing van zijn bewustzijn duidelijk; de andere helft wéét immers dat er in wezen niets te lachen valt. De ene helft van de mond krult wetend omhoog, zodat de andere onopzettelijk verachtend naar beneden gaat. Het mondaine realisme van de machtscynicus komt voort uit het verlangen het gezicht niet te verliezen terwijl men de handen vuil maakt. Daarom gaat dit vaak gepaard met voortreffelijke manieren. Het cynische lachje is zuiver ingebed in een onbeschaamde hoffelijkheid die zich beheerst en verraadt dat zij anderen op veilige afstand wil houden, zoals ze ook zichzelf streng onder de duim heeft.[…] Hun lachje is zo scheef als de komma tussen ‘ja’ en ‘maar’.”

[Peter Sloterdijk, Kritik der zynischen Vernunft]


“Bij enkele naakte gedachten heb ik in overhaaste wrevel hun vijgenblaadjes weer afgerukt” (Heine)

donderdag 26 maart 2009

Glimlach


Glimlach: Bij een tevreden gezicht liggen de lippen opmerkbaar vibrerend op elkaar. Alles is zoals het is. Er valt niets te zeggen. Diogenes zit zwijgend in de zon en kijkt naar de stenen trappen van de markthal. Door zijn hoofd gaat zelfs geen schaduw van een gedachte. Zijn ogen zijn ondergedompeld in de kosmische zindering van het Griekse licht. Hij ziet hoe de mensen hun zaakjes najagen. Als een van hen op het idee kwam voor zijn gezicht plaats te nemen om het met een ontvankelijk gemoed te bekijken, zou het best eens kunnen dat hij plotseling onbeheerst begon te huilen of redeloos te lachen.”

[Peter Sloterdijk, Kritik der zynischen Vernunft]

woensdag 25 maart 2009

Zorg en gevoel


“In de liefde begint elk mens bij het begin”, schreef Sören Kierkegaard. Dit begin is de intermenselijke relatie die we ‘zorg’ noemen. Hoewel ze uitstijgt boven het gevoel, begint ze daar. Het is een gevoel dat wijst op een relatie van betrokkenheid, een aanwijzing dat het bestaan van de ander voor mij betekenis heeft; een relatie van toewijding, de uiterste zijnsvorm aannemend, met de wil om te genieten van, of, als andere uiterste te lijden voor de ander.
De nieuwe basis van de zorg blijkt uit de interesse van psychologen en filosofen als zij de nadruk leggen op het gevoel als de grondslag van het menselijk bestaan. We moeten nu het gevoel als een legitiem aspect van onze verhouding tot de werkelijkheid grondvesten. Als William James zegt: “Het gevoel is alles”, bedoelt hij niet dat er meer is dan het gevoel, maar dat alles daar begint. Het gevoel zorgt voor de betrokkenheid, bindt je aan het object en is de zekerheid dat er gehandeld wordt.”

[Rollo May, Liefde en wil]

De meest hoogmoedige en leugenachtige minuut


In de een of andere uithoek van het in talloze zonnestelsels flonkerend uitgegoten heelal was eens een planeet waar schrandere dieren het kennen uitvonden. Dat was de meest hoogmoedige en leugenachtige minuut van de ‘wereldgeschiedenis’, maar toch niet meer dan een minuut. Na enkele ademtochten van de natuur verstarde de planeet en de schrandere dieren moesten sterven. – Zo zou iemand een fabel kunnen verzinnen en zou toch niet voldoende geïllustreerd hebben, hoe beklagenswaardig, schimmig en vluchtig, hoe doelloos en willekeurig het menselijk intellect binnen de natuur aandoet; er zijn eeuwigheden geweest dat het er niet was; als het er weer mee gedaan is, zal er niets voorgevallen zijn. Want er is voor dit intellect geen andere missie die verder reikt dan het menselijk leven. Integendeel, het is menselijk, en alleen de bezitter en voortbrenger ervan vat het zo pathetisch op, alsof het de spil is waar de wereld om draait. Maar als we met de mug zouden kunnen communiceren, zouden we te horen krijgen dat ook die met hetzelfde pathos door de lucht vliegt en zichzelf het vliegend centrum van deze wereld voelt. Er is niets zo verwerpelijk en nietig in de natuur of het wordt door een kleine inblazing van die kracht van het kennen direct als een ballon opgeblazen; en zoals elke lastdrager zijn bewonderaar wil hebben, zo gelooft de meest trotse mens, de filosoof, vanaf alle kanten de ogen van het heelal telescopisch op zijn handelen en denken gericht te zien.

[Friedrich Nietzsche, Over waarheid en leugen in buiten-morele zin]

vrijdag 20 maart 2009

Spiritueel


Ik hou niet van het woord 'religieus'. Ik hou meer van het woord 'spiritueel'. Spiritueel is, wat in ons, geen genoegen neemt met de wereld, zich aan geen enkele wereld aanpast. Het is maar wanneer het spirituele verbleekt dat het 'religieus' wordt.

Sommige woorden van Christus zijn, althans voor mij, onverdraaglijk. Ik kan er niet aan. Ik weiger er aan te kunnen, omdat ik weet dat ik dan teveel moet opgeven. Het is daaraan dat ik de waarheid van die woorden herken, aan dat, wat er me daarin absoluut niet 'aanstaat'.

tancredo infrasonic

zaterdag 14 maart 2009

Fantasie


“Hier wird aber die Phantasie vergessen, wodurch eine unheilbare Lücke entsteht.”
[Goethe, kort na het verschijnen van Kants Kritik der reinen Vernunft (1781)]

Of Kant dit commentaar ooit heeft vernomen is mij niet bekend. Wel weet ik dat de naam ‘Goethe’ in Kants hele oeuvre niet één keer voorkomt, een gegeven dat mij niet verbaast. Maar hoe zou ‘der grosse Chinese von Königsberg’ (de onsterfelijke typering is van Nietzsche) op dat commentaar gereageerd hebben als hij het vernomen had? Zou Kant dan na vijf jaar nadenken weer met zo’n boek van duizend bladzijden zijn gekomen, bijvoorbeeld met Über die Unrichtigkeit, das Erkenntnisproblem mit demjenigen der Phantasie zu verwechseln, oder zu glauben, es sei möglich, jenes durch dieses zu erlaütern, ik noem maar iets? Ik weet het niet, maar ik denk het eigenlijk niet. Ik denk eerder dat Kant helemaal niet gereageerd zou hebben, precies zoals Kant-commentatoren er bij mijn weten ook niet op reageren. Waarom denk ik dat? Omdat de houding, de geestesgesteldheid die een commentaar als dat van Goethe mogelijk maakt, tegelijkertijd een boek als de Kritik der reinen Vernunft ónmogelijk maakt.

Met ‘hier’ bedoelt Goethe de Kantiaanse begrenzing van het menselijke kenvermogen tot Sinnlichkeit en Verstand. Via de eerste worden wij tijdruimtelijke gegevenheden gewaar, via het tweede ordenen wij onze gewaarwordingen zodat ‘onze’ wereld ontstaat. Dit alles geschiedt onder de niet aflatende leiding van de Vernunft. Behalve Sinnlichkeit, Verstand en Vernunft bevat het menselijk kenapparaat volgens Kant niets. Inderdaad wordt hier dus de Phantasie weggelaten – alleen zegt Goethe niet ‘weggelaten’ maar ‘vergeten’. En hij zegt dat mijns inziens terecht, al voeg ik eraan toe dat Kant (althans in zijn kentheoretische Kritik) moeilijk anders kón dan de Phantasie vergeten. Immers ten eerste is Kants kentheoretische onderneming zelf een fantasie in de zin van een ontwerp van een mogelijke wereld en van een mogelijke verhouding tussen mens en wereld: de Kritik der reinen Vernunft is de creatie van een mens- en wereldbeeld.

Echter, en ten tweede: het kantiaanse wereldbeeld doorzag zichzelf niet als zodanig en kon dat ook niet doen omdat het zich juist tegen de wereldbeelden keerde. Kant zocht en vond de ‘objectieve’ wereld als wereld-minus-wereldbeeld; wij erfden van hem derhalve het beeld van een beeldloze wereld.

woensdag 11 maart 2009

L'Eglise catholique, la vie, le Brésil


L’on peut à bon droit avoir du mal à comprendre l’indignation quasi générale, soudaine, ponctuelle, qui a répondu à la nouvelle de l’excommunication de la mère brésilienne responsable de l’avortement de sa fillette de neuf ans, violée par son beau-père, de cette fillette qui a perdu deux jumeaux.

Ce n’est pas que l’indignation ne soit justifiée, elle l’est assurément mais elle est surprenante comme ponctuelle, comme exception d’un silence complice plus continu à l’endroit d’une Eglise catholique dont le moins que l’on puisse dire est qu’elle a coutume de «persévérer dans son être»…

Négationnisme et vichysme accueillis à bras ouverts il y a quelques semaines, prospérité nouvelle du créationnisme, affaire de Recife, tout communie, si j’ose dire, dans la confirmation de ce que l’Histoire a dit de l’Eglise catholique.

Et l’Histoire en a dit que sous couvert de défense et d’illustration du vivant et de l’amour du vivant, elle défend en réalité de l’Idée, de l’Idée de la vie, de l’imagination, de la poésie du vivant qui est un fantôme, un ange de vie mais qui est de l’ordre de la «vie morte».
L’Eglise catholique (son vaisseau amiral) goûte la mort de la vie et celle de la mort quand elle est de l’ordre de la vie. Ce n’est pas la vie que défend l’Eglise catholique mais l’imagination «toute romaine», l’idéation qu’elle en façonne. On peut aimer ou abhorrer cette idiotie (au sens grec, cette «fermeture à un savoir») mais on ne peut pas se tromper sur elle. Et quand on l’abhorre c’est continûment qu’il s’agit de s’indigner.

L’Eglise catholique défend depuis toujours une conception arrêtée de la vie (comme la flèche du sophiste qui nie le mouvement en passant de point fixe en point fixe) qui est la contradiction même de la vie comme mouvement, champ erratique de forces, comme errance tragique. Elle défend la vie morte, elle hait la vie vivante et sa gigue, elle promeut l’Eternel et vomit la mort qui est part de cette vie qu’elle vomit. On ne peut guère en attendre autre chose sauf à penser son non-être.

On ne pouvait attendre de l’Eglise catholique qu’une attitude, celle qui consistait à préférer la vie encore absente, la vie pas encore de la vie, la vie pas tout à fait vivante, la vie peut-être un peu morte, la vie problématiquement vie, celle des jumeaux, à la vie présente, de la vie, tout à fait vivante, assurément vie, de la petite fille qu’un accouchement eût condamnée. On ne pouvait en attendre autre chose, sauf à vouloir que l’Eglise fût autre chose que son être, un non-être de l’Eglise qui serait l’Eglise, ce qui est, au sens strict, impensable, c’est-à-dire non-pensable.

Il n’est pas étonnant que l’affaire soit brésilienne (et savoureux que l’excommunication soit justifiée par tel Cardinal dont la traduction littérale du nom est «Jean-Baptiste Roi», c’est-à-dire un nom convoquant la vision surréaliste d’une tête coupée portant couronne, d’une mort refoulée, d’un déni de cette vie qui est aussi faite de mort).

Il n’est pas étonnant que l’affaire soit brésilienne : quelle terre de mission plus excitante pour le catholicisme sous ses divers avatars également hostiles au vivant vivant, que ce pays de la vie radicale, de son beau désordre tragique, de son hasard glorieux, source d’allégresse et de mélancolie?

[Emmanuel Tugny, Libération]