Posts tonen met het label Karl Marx. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Karl Marx. Alle posts tonen

vrijdag 9 januari 2009

Hubris (4) Marx' vervreemdingsbegrip

Giuseppe Pelizza da Volpedo, De vierde stand, 1898-1901, Milano

In de motivering van het zuiver theoretisch wetensideaal gaat Aristoteles met zijn vrijheidsbegrip blijkbaar over naar de praktische dimensie van het menselijk leven. Vrijheid is een praktisch-ethisch probleem. De ethica is volgens Aristoteles geen leer over moeten, plichten en zonden…; de ethische vraag is volgens hem: ‘wat moet de mens doen?’, ‘wat is het werk (ergon) van de mens?’ wat is de ‘functie’ van de mens? Alle menselijke organen hebben een functie, en ook de mensen hebben binnen de maatschappij hun specifieke taken. Wat is echter de functie van de mens zelf? Wat beginnen we met ons leven?

Een opwerping tegen een streven naar een weten om te weten, dat een echt vrij weten is, is dat deze vrijheid in tegenstelling staat tot de knechtschap waaraan de mens van nature onderworpen is. Waarom, welke onvrijheid dwingt ons echter een weten ter wille van het gebruik na te streven? Wat treedt als hinderpaal op om een weten ter wille van het weten zelf na te streven? De mens is geen god. Hij is sterfelijk; hij heeft namelijk een lichaam waardoor hij aan allerlei soorten afhankelijkheden en behoeften onderworpen is en waardoor hij interessen heeft, belangen moet verdedigen en doelstellingen nastreven. Het is onze ‘geboortigheid’ die ons ertoe verplicht, weten ter wille van een of ander gebruik te zoeken.

De vrijheid is bij Aristoteles geen morele vrijheid in de zin van vrije wil en menselijke verantwoordelijkheid, maar ze wordt door hem verstaan als vrijheid van behoeften. Voor Aristoteles is een mens die werkt in dienst van zijn eigen behoeften reeds iemand die werkt in dienst van iemand of iets anders. Zo’n mens is volgens hem niet vrij. Maar zijn mijn lichamelijke behoeften dan niet mijn behoeften? Het zijn toch behoeften die ik voel. Aristoteles gebruikt een vreemd begrip van vrijheid en verknechting, van identiteit van een mens.

Dit vrijheidsbegrip is werkzaam gebleven tenminste tot bij Marx, die grondig Aristoteles had gelezen. Het is Marx geweest, die als eerste de betekenis van de arbeid als essentieel voor de menswording van de mens en voor de bevrijding van de ‘vrijheid’ heeft gezien. Volgens Marx verwerkelijkt de mens zichzelf door zijn toewending tot de natuur. De toewending tot de natuur maakt het de mens mogelijk te blijven leven, want de mens leeft van de natuur.

In zijn zogenaamde ‘Parijse Manuscripten’ heeft Marx het over de aliënatie – Entfremdung, vervreemding – een begrip dat hij van Hegel en Feuerbach overgenomen heeft. Het wezen van de mens is volgens Marx productieve arbeid. Gealiëneerde arbeid is arbeid die het wezen van de mens ontkent.

“Hij [de gealiëneerde arbeid] is daarom niet bevrediging van een behoefte maar alleen een middel om behoeften buiten haar te bevredigen. De vreemdheid van de arbeid komt op zuivere manier naar voren uit het feit dat men zodra er geen fysieke of andere dwang meer bestaat, de arbeid ontvlucht als de pest.”

Karl Marx, Ökonomisch-philosophische Manuskripte (1844)

Arbeid is dus volgens Marx enkel dan niet gealiëneerd als ze niet in dienst staat van een behoefte buiten de arbeid zelf, als ze slechts voor zichzelf nagestreefd wordt. Niet-gealiëneerde arbeid noemt Marx juist met een Aristotelisch begrip vrije arbeid. Marx stelt daarbij het fysieke als dwang voor.

“Uiteindelijk verschijnt de uiterlijkheid [ gealiëneerd karakter] van de arbeid voor de arbeider hierin dat het niet zijn eigen arbeid is, maar die van een ander, dat de arbeid niet hem toebehoort, maar een ander.”

(Karl Marx, ibid.)

De best gekende voorstelling van gealiëneerde arbeid – namelijk het toebehoren ervan aan een ander, de kapitalist – is voor Marx slechts een uiteindelijke verschijningsvorm. ‘Verschijnen’ betekent voor Marx gevolg zijn, consequentie zijn, van secundaire aard, een oppervlakteverschijnsel zijn. Het feit dat de arbeider binnen het kapitalisme niet voor zichzelf maar voor een ander werkt, is voor Marx het gevolg van het feit dat de arbeid omwille van een behoefte en niet voor zichzelf gedaan wordt. Marx besluit voorlopig zijn analyse van het begrip ‘vervreemde arbeid’ met de woorden:

“Het begrip van de gealiëneerde arbeid (het gealiëneerde leven) hebben wij natuurlijk als resultaat uit de ontwikkeling van de particuliere eigendom verkregen. Maar bij analyse van het begrip blijkt dat de particuliere eigendom, ook al doet hij zich voor als de grond, de oorzaak van de gealiëneerde arbeid, er in werkelijkheid veeleer de consequentie van is, evenals de goden oorspronkelijk niet de oorzaak maar het gevolg van de menselijke verstandsbegoocheling zijn. Later slaat deze verhouding in een wisselwerking om.”

(Karl Marx, ibid.)

Marx onderlijnt hier uitdrukkelijk dat de private eigendom slechts een verschijningsvorm, een gevolg van de gealiëneerde arbeid is. Hierdoor onderscheidt Marx zich juist van de economen van zijn tijd, die juist de private eigendom als eerste axioma van hun theorie stelden. Het is volgens Marx niet zo dat de arbeid vervreemd is, doordat de kapitalisten de arbeidsproducten van de arbeiders afnemen, maar juist omgekeerd: de gealiëneerde arbeid heeft tot gevolg dat de kapitalisten de arbeiders van hun arbeidsproducten kunnen vervreemden, en dit juist omdat de arbeiders werken ter wille van de vervulling van een behoefte en niet ter wille van de arbeid zelf. Men moet dus eerst de gealiëneerde arbeid opheffen, d.w.z. men moet dus de vrijheid in de zin van vrijheid van behoeften bereiken om de private eigendom te kunnen opheffen. Dit veronderstelt de opbouw van een productieapparaat om de bevrediging van alle behoeften veilig te stellen. Voor het opbouwen van zo’n productieapparaat heeft men kapitaal nodig, en dit verkrijgt men niet zonder uitbuiting. Het is dan ook een van de basisinstellingen van Marx dat het kapitalisme de noodzakelijke weg is om het socialisme op te bouwen.

Marx’ voorstellingen van aliënatie zijn duidelijk verwant met Aristoteles’ merkwaardige begrip van vrijheid: de menselijke vrijheid zou daarin bestaan dat men ‘verlost’ zou zijn van zijn eigen menselijke behoeften. In het eerste boek van ‘Das Kapital’ – zijn laatste afgewerkte grotere geschrift – lijkt Marx losgekomen te zijn van dit arbeidsbegrip en ziet hij menselijke arbeid juist gekenmerkt door zijn doelmatigheid.

Hubris (3) Het praktische weten

Adolph Menzel, Ijzerwalserij, 1815, Berlin

Dit schilderij laat het proces in de fabriek vanuit verschillende standpunten zien. De machine domineert wat er gebeurt, de anonieme arbeiders zijn er ondergeschikt aan. De monotone activiteit binnen het industriële proces maakt de slechte arbeidsverhoudingen in het tijdperk van de industrialisatie en de minachting voor de menselijke individualiteit duidelijk.

Aristoteles omlijnt de ‘theoria’ scherper door het in contrast te plaatsen met wat hij als een praktisch weten aanduidt. Oorspronkelijk maakte hij een driedeling waarvan wij tegenwoordig een tweedeling – in theoretisch en praktisch weten – gemaakt hebben. Voor Aristoteles bestond er namelijk buiten het theoretisch en praktisch weten ook een poietisch weten. Dit laatste had betrekking op het maken, het vervaardigen van voorwerpen (ook kunstwerken): poietisch weten zouden wij nu technisch weten noemen. Het begrip ‘technè’ is echter voor de Grieken veel ruimer dan ons begrip ‘techniek’. Het eigenlijke praktische is voor Aristoteles de moraal, de politiek en de economie: het is dus een weten dat geen betrekking heeft op het maken van iets, maar op het menselijk en maatschappelijk handelen in het algemeen.

Theoretisch weten is daarentegen een weten dat verkregen wordt wanneer dit weten nagestreefd wordt ter wille van het weten alleen. Praktisch weten is een weten dat verkregen wordt wanneer men weten nastreeft ter wille van iets anders dan het weten zelf, bijvoorbeeld om behoeften te bevredigen, belangen te behartigen, of doelstellingen te realiseren. Het beste en eigenlijke weten is volgens Aristoteles te zoeken in het theoretisch weten, het weten dat ter wille van het weten alleen wordt nagestreefd. En paradoxaal genoeg geeft hij de voorkeur aan dit weten, juist ter wille van de praktijk. Dit ideaal van weten om te weten staat in Aristoteles’ opvatting dus principieel niet in tegenstelling met een bruikbaar of toepasbaar weten. Het meest nuttige weten voor praktische doeleinden wordt volgens hem verworven door middel van het theoretische weten, dat volstrekte abstractie eist van de gestelde praktische doelstellingen. Men vergeet best zijn praktische doelstellingen, wil men het beste weten verkrijgen om ze te realiseren.

Het zuiver theoretisch wetensideaal dat door Aristoteles definitief werd vastgelegd, is, modern gesproken, het wetenschappelijke objectiviteitsideaal. Max Webers idee van de waardenvrije wetenschap is slechts een flauwe afspiegeling van bovenvermelde idee: het theoretisch weten abstraheert namelijk niet alleen van de zogenaamde waarden, maar ook van alle behoeften, belangen en doelstellingen.

Als we de klassiek filosofische onderscheiding tussen theorie en praktijk blijven gebruiken, dan blijft de praktijk gescheiden van elk weten, daar alle weten vereenzelvigd wordt met theorie. De praktijk wordt losgemaakt van elke intellectualiteit, en zo gereduceerd tot zwaar lichamelijk en dom werk. Volgens Karl Marx in het eerste boek van ‘Het Kapitaal’ onderscheidt de menselijke arbeid zich juist van de dierlijke arbeid doordat de mens in en met de materie zijn doeleinden die hij op voorhand in zijn hoofd ontworpen heeft, tracht te realiseren.

“We gaan uit van een vorm van arbeid, zoals deze uitsluitend bij de mensen voorkomt. Een spin verricht werkzaamheden, die lijken op die van een wever; een bij doet door het bouwen van zijn honigraat menig menselijk architect beschaamd staan. De slechtste architect onderscheidt zich echter al direct van de beste bij doordat hij de cellen in zijn gedachten heeft opgebouwd voordat hij ze in werkelijkheid vormde. Aan het einde van het arbeidsproces komt een resultaat te voorschijn dat van het begin af aan in de fantasie van de arbeider, dus ideëel reeds aanwezig was. Niet alleen dat hij een vormverandering van het natuurlijke tot stand brengt, hij realiseert in het natuurlijke tevens zijn doel, een doel dat hij kent, dat als een wet zijn wijze van handelen bepaalt en waaraan hij zijn wil moet onderwerpen. En deze onderwerping is niet een op zichzelf staande handeling. Behalve de inspanning van de organen, die werken, is voor de gehele duur van de arbeid de aanwezigheid van de doelbewuste wil – die zich als oplettendheid manifesteert – nodig en dit des te meer naarmate die arbeid door zijn inhoud en door de wijze van uitvoering de arbeider minder boeit, hij dus minder van die arbeid geniet als spel van zijn eigen lichamelijke en geestelijke krachten.”

(Karl Marx, Het Kapitaal, Eerste boek, vertaling I. Lipschits, 5de hoofdstuk)

Een bepaald weten speelt volgens Marx dus wel een rol in de specifiek-menselijke arbeid. Zwaar-lichamelijk werk is volgens hem dierlijke arbeid. Zwaar-lichamelijk werk moet echter wel, maar ook alleen dan, geapprecieerd worden als het noodzakelijk is. Daarom onderschat men ook ten onrechte het theoretische werk en de praktische aspecten daarvan. Het specifiek praktische van het weten ligt op het gebied van de keuze van de onderzoeksthema’s.