Posts tonen met het label Michel Foucault. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Michel Foucault. Alle posts tonen

woensdag 4 maart 2009

Het biechtende dier


Historisch gezien bestaan er twee grote procedures om de waarheid van seks te produceren.
Aan de ene kant de maatschappijen – en deze zijn talrijk geweest: China, Japan, India, Rome, de Arabisch-Islamitische maatschappijen – die zichzelf een ars erotica gegeven hebben. In de kunst van de erotiek wordt de waarheid ontleend aan de lust zelf, en welke wordt opgevat als praktijk en vergaard in de vorm van ervaring; de lust wordt niet gezien in relatie tot een absolute wet die bepaalt wat toegestaan en verboden is, en ook niet onder verwijzing naar een nuttigheidscriterium; maar de lust wordt allereerst en vooral in relatie tot zichzelf gezien, hij is als lust te kennen, met andere woorden in zijn intensiteit, zijn specifieke hoedanigheid, zijn duur, en zijn uitstraling in lichaam en ziel. [...]

Onze beschaving bezit, althans op het eerste gezicht geen ars erotica. Daarentegen is zij zonder twijfel de enige die een scientia sexualis beoefent. Of liever, in de loop der eeuwen heeft zij, om de waarheid over seks te zeggen, procedures ontwikkeld die in wezen geordend zijn rondom een vorm van weten-macht die strikt tegengesteld is aan de kunst van de initiaties (...), het gaat hier om de bekentenis.

Op zijn laatst vanaf de middeleeuwen hebben de westerse maatschappijen de bekentenis gerangschikt onder de belangrijkste rituelen waarvan men de productie van waarheid verwacht: het invoeren van een reglement voor het sacrament van de biecht door het Concilie van Lateranen in 1215, de daarop volgende ontwikkeling van de biechttechnieken; in de strafrechtspraak teruggang van de procedures van het aanklagen, het verdwijnen van proeven om schuld of onschuld vast te stellen (eed, duel, godsoordeel) en het ontwikkelen van verhoor- en onderzoeksmethoden; de steeds grotere rol van het koninklijke bestuursapparaat bij het vervolgen van wetsovertredingen, ten koste van de procedures om tot een private schikking te komen; het instellen van inquisitierechtbanken; dit alles heeft ertoe bijgedragen om de bekentenis een centrale rol te geven in de orde van de burgerlijke en godsdienstige machten. De ontwikkeling van het woord ‘bekentenis’ en van de juridische functie die het aangeduid heeft, is op zichzelf kenmerkend: betekende ‘bekentenis’ eerst waarborg van status, identiteit en waarde die men iemand anders toekende, later werd ‘bekentenis’ erkenning van zijn of haar eigen gedachten of handelingen. Lange tijd heeft het individu zich gelegitimeerd door naar anderen te verwijzen en door zijn band met iemand anders te betuigen (familie, gevolg, beschermheerschap); later werd het waarmerk van het individu het waarheidsvertoog dat het over zichzelf kon of moest houden. De bekentenis van de waarheid is de kern gaan vormen van de procedures waarmee de macht de individualisering bewerkstelligt.

Hoe het ook zij, de bekentenis is naast de rituelen van de proef, naast de waarborgen die het gezag van de traditie verleent, naast de getuigenissen, maar ook naast de geleerde procédés van observatie en bewijsvoering, in het Westen een van de hoogst aangeslagen technieken geworden om het ware te produceren. Sindsdien zijn wij een in de eerste plaats bekennende maatschappij geworden. De uitwerkingen van de bekentenis zijn wijdverbreid: in de rechtspraak, in de medische wetenschap, in de pedagogie, in de gezins- en liefdesverhoudingen, in de meest banale dagelijkse orde, alsook in de meest verheven riten. We bekennen onze misdaden, we biechten onze zonden, onze gedachten en verlangens op, we bekennen ons verleden met zijn dromen, we bekennen onze kindertijd, onze ziekten en ellende; we doen ons uiterste best om zo nauwkeurig mogelijk die dingen te zeggen die het moeilijkst uit te spreken zijn; we bekennen in het openbaar en privé, aan onze ouders, opvoeders, aan onze arts en aan de mensen van wie we houden; en onszelf bekennen we, in vreugde en verdriet, dingen die we onmogelijk aan iemand anders kunnen bekennen, en gebruiken dat als stof voor een boek. We bekennen – of we zijn gedwongen te bekennen. Wanneer de bekentenis niet spontaan of onder innerlijke aandrang geschiedt, dan wordt zij afgeperst; men jaagt haar na tot in de ziel of ontrukt haar aan het lichaam. (...)

De westerse mens is een biechtend dier geworden.

[Michel Foucault, De Wil tot Weten - Geschiedenis van de Seksualiteit)

Genderverschillen in de biechtstoel

Actrice Monica Belluci in de film Malèna, waarin ze als wondermooie jonge Siciliaanse weduwe door elke man van het dorp wordt begeerd.

"Nu vormde vanaf de christelijke biecht tot op de dag van vandaag seks het onderwerp bij uitstek van het belijden. Zij is datgene wat men achterhoudt, wordt er gezegd. En als zij integendeel nu eens datgene was wat men op zeer bijzondere wijze bekent? Als de plicht haar te verbergen slechts een aspect zou zijn van de plicht haar te bekennen? ... Als seks in onze maatschappij nu al meerdere eeuwen lang in de ijzeren greep van de bekentenis is?"
[Michel Foucault, De wil tot weten]

Mannen en vrouwen zondigen op een andere manier, zegt monseigneur Wojcieh Giertych de persoonlijke theoloog van paus Benedictus XVI en van het pauselijke huishouden. Daarmee legt hij onwillekeurig het mannelijke en vrouwelijke onbehagen van deze tijd bloot, stelt de Britse schrijfster en columniste India Knight.

Er is geen seksuele gelijkheid als het de zonde betreft, schreef Giertych vorige week in L’Osservatore Romano, de krant van het Vaticaan. Zijn kijk is gestoeld op zijn eigen bevindingen in de biechtstoel en wordt geschraagd door een analyse van biechtgegevens uitgevoerd door de 95-jarige Roberto Buso, een jezuïet met een zeer technische knobbel die eerder al een computeronderzoek deed naar de werken van Thomas van Aquino.

De zeven hoofdzonden zijn: onkuisheid, gulzigheid, hebzucht, traagheid, gramschap, afgunst en hoogmoed (die staan tegenover kuisheid, matigheid, naastenliefde, vlijt, lijdzaamheid, goedheid en nederigheid). Vorig jaar kwam het Vaticaan echter met het voorstel om daar een paar nieuwe zonden aan toe te voegen die betrekking hebben op de actualiteit, met name genetische manipulatie, experimenten op mensen, milieuvervuiling, sociale onrechtvaardigheid, het veroorzaken van armoede, financiële gulzigheid en het gebruik en verkoop van drugs. (Ik begrijp wel niet goed hoe een joint roken de Heer even hard kan storen als het veroorzaken van armoede, maar soit.)

Als je een man bent, zo wijzen de bevindingen van Buso en Giertych uit, dan is de eerste zonde onkuisheid, gevolgd door gulzigheid. Daarna volgt traagheid, want tegen dan ben je waarschijnlijk te verzadigd om nog te bewegen. Als je een vrouw ben, dan is de voornaamste zonde hoogmoed, gevolgd door afgunst en gramschap, wat een niet al te mooi plaatje schetst. Begrijpelijk dus dat mannen veel eten en naar porno kijken.

De Britse detectiveschrijfster Dorothy L. Sayers merkte ooit schrander op dat de hoofdzonden opgedeeld zouden moeten worden in onfatsoenlijke maar warmbloedige zonden (onkuisheid, gramschap, gulzigheid) en respectabele maar koudbloedige zonden (afgunst, traagheid, hebzucht en hoogmoed). Ze zijn koudbloedig omdat het zonden van de geest en niet van het vlees zijn, ze zijn respectabel omdat ze de gedaante van deugden kunnen aannemen.

Ik vermoed dat het lijstje van zonden er dertig of veertig jaar geleden totaal anders had uitgezien. Zou onkuisheid bovenaan op het mannenlijstje hebben gestaan toen reclamespotjes nog beelden gebruikten van volledig geklede huisvrouwen die eenvoudige en voedzame maaltijden probeerden samen te stellen, en toen je om aan porno te geraken nog een gênant heimelijk bezoek aan de krantenboer moest brengen? Anno 2009 is het niet meer dan normaal dat onkuisheid de eerste positie in de mannelijke geest inneemt. Seks lijkt elk aspect van hun leven te doordringen.

Als een man veertig jaar geleden in de biechtstoel gevraagd werd om op te sommen hoeveel keer zijn ouweheer zich in de loop van de dag had opgericht, dan was het waarschijnlijk bij twee of drie gelegenheden gebleven. Vandaag zou hij een paar uur nodig hebben om elke aandrang een beetje getrouw weer te geven. Maar goed, mannen biechten onkuisheid tenminste op, wat waarschijnlijk betekent dat ze zich toch een beetje slecht voelen omdat ze van zowat alles hitsig worden, inclusief reclame voor chocolade.

De website Cracked.com publiceerde vorige week een wijdverspreid artikel getiteld ‘Vijf dingen waarvan je onterecht denkt dat ze je gelukkig zullen maken’. Die vijf dingen waren, in omgekeerde volgorde: beroemdheid (de website brengt het verlangen van tieners naar roem in verband met een gebrek aan aandacht door afwezige of ‘emotioneel verwijderde’ ouders), rijkdom (Nigerianen zijn tevredener met hun leven dan mensen in andere landen, terwijl de gemiddelde Nigeriaan 235 euro per jaar verdient), schoonheid (te veel ‘geveinsd gevlei’ alleen maar omdat je knap bent, zelfde problemen met het zelfbeeld als mensen met een gewoon uiterlijk), genialiteit (maakt je eenzaam en mogelijk geestelijk ziek) en macht (waardoor je een eikel en mogelijk een psychopaat wordt).

De bedenkingen van deze grappige en oneerbiedige site over menselijke ontgoochelingen komen bijna letterlijk overeen met de biechtbevindingen van het Vaticaan. U moet toegeven dat dat toch behoorlijk interessant is. Giertych stelde: “Verschillende culturele contexten brengen verschillende gewoonten voort, maar de menselijke natuur blijft dezelfde.”

In een pakkend essay heeft Mary Eberstadt, een onderzoekster aan het Hoover Institution, het over de betekenis van het gegeven dat westerlingen voor het eerst in de geschiedenis onbeperkt toegang hebben tot eten en seks. Ze beschrijft de attitudekloof die ons van onze voorouders scheidt. “Historisch beschouwd waren eten en seks in alle beschavingen steeds onderworpen aan formele en informele regels”, om zaken te vermijden als seksuele agressie en ziekte.

Die regels zijn weg. Je hoeft niet langer bang te zijn om zwanger te worden, je hoeft jezelf niet bloot te stellen aan ziekte, meer partners hebben is niet langer een schande, en gemechaniseerde landbouw, pesticiden en genetisch gemanipuleerd voedsel hebben ervoor gezorgd dat iedereen in het Westen kan eten tot hij barst. Grof gesteld: Eberstadt concludeert dat voedsel de nieuwe seks is, het domein waarop nu taboes, obsessies, grillen en fetisjen rusten.

Iedereen met ogen in zijn kop moet inzien dat het klopt. En de mannelijke kant van de Vaticaanse zondenlijst geeft enigszins aan dat mannen, zoals Eberstadt stelt, volledig gestrand zijn in hun eigen lusten. De lijst biedt eigenlijk een handig inzicht in de fundamentele verschillen tussen de seksen vandaag. Mannen eten, neuken en maken zich daar achteraf zorgen over. Vrouwen tutten zich op en zijn jaloers, met een klein beetje nijd en nukken erbij gekwakt, en zijn daar niet bepaald trots op. De zondescheiding die het Vaticaan aanstipt, weerspiegelt de maatschappelijke veranderingen van de laatste twee decennia op een onverwacht moderne manier. Wat eerst een ontspannend niemendalletje leek, geeft eigenlijk een perfect beeld van het mannelijk en vrouwelijk onbehagen.

[India Knight, Sunday Times]

donderdag 15 januari 2009

Stof - lichaam - geest (8) Geneeskunde


“Voor ons is het vanzelfsprekend dat het menselijk lichaam de oorsprongs- en verbreidingsruimte van de ziekte vormt; de lijnen en de massa’s, de oppervlakken en de wegen van deze ruimte richten zich naar een geografie die ons al lang vertrouwd is, namelijk de anatomische atlas. Deze ordening van het vaste en zichtbare lichaam is echter voor de geneeskunde slechts één van de manieren om de ziekte in de ruimte te lokaliseren. Zij is waarschijnlijk niet de eerste en evenmin de fundamenteelste. Er zijn andere indelingen van de ziekte geweest en er zullen altijd andere bestaan.”

[Michel Foucault, Geboorte van de kliniek, een archeologie van de medische blik]

Nu we hebben gezien dat de aspecten niet tot elkaar reduceerbaar zijn mogen we stellen dat de mens niet ‘wezenlijk’ of ‘in essentie’ stoffelijk, levend of geestelijk is. Op dit punt is het relevant om iets te zeggen over de geschiedenis van geneeskunde. De gangbare mening over ons verleden is dat artsen tot ongeveer de helft van de negentiende eeuw heel weinig wisten en nauwelijks iets konden. Artsen die vanuit het heden terugblikken beweren zelfs dat geneeskunde niets vermocht tot na de Tweede Wereldoorlog. Dat is medisch historisch een veel te grove benadering en we houden vast aan 1850 als keerpunt: toen werd met de ontwikkeling van de cellulaire pathologie, de ontdekking van de microben, de toepassing van asepsis en narcose een explosieve ontwikkeling in gang gezet die tot op de dag van vandaag voortduurt.

Dat artsen in de periode voor circa 1850 nauwelijks iets wisten en te weinig konden – we laten de traumatologie en het zorgen voor krijgsverwondingen even terzijde – is een problematische opvatting als we ons tevens realiseren dat er op dat moment al enige duizenden jaren sprake was van artsen. Waarom werden die niet ‘ontmaskerd’? Zijn ze retrospectief ontmaskerd? Moeten we zeggen dat er eigenlijk geen artsen waren voor 1850?

Artsen handelden gedurende duizenden jaren naar het wereldbeeld waarin zij leefden: zolang de scheiding van de aspecten niet tot stand was gebracht, was er ook geen andere geneeskunde mogelijk dan die bejegenende geneeskunde. Hun vaardigheden lagen voornamelijk in de bejegening, op het psychosociale vlak. Dat is misleidend gezegd, want de verschillende aspecten die we hier uitvoerig bespraken bestonden nog niet. We waren nog niet verknipt – de frase is niet negatief bedoeld. Begrippen als ‘de onbezielde natuur’, ‘de betekenisloze wereld’, ‘het zielloze lichaam’ (moleculen) waren nog niet ontwikkeld. Pas aan het einde van een eeuwenlange ontwikkeling zijn we onszelf als geestelijk, dierlijk en stoffelijk gaan zien. De scheiding van de aspecten is niet ineens tot stand gekomen. Het gaat hier om een intellectuele ommekeer die geleidelijk zijn beslag kreeg en waarvan we vinden dat hij op alles toepasbaar is: de rationele analyse van de ons omringende wereld beroofde stap voor stap de wolken, de zeeën, de planten, de bomen en de dieren van hun ziel. Deze beschouwingswijze is zo ver doorgedrongen dat sommigen denken dat zelfs mensen zielloos – in de zin van ‘in essentie moleculair’ – zijn.

Geneeskunde is van oudsher een bezigheid als bidden, wel resultaatgericht, maar niet resultaatafhankelijk. We móeten dit wel veronderstellen, want anders is de geschiedenis van geneeskunde volstrekt onbegrijpelijk. Hoewel de resultaten van geneeskunde in ondubbelzinnig opzicht indrukwekkend zijn geworden is dat bidden er nooit vanaf gegaan. De bejegening en het sociale aspect, is ook nu nog even belangrijk als de correcte toepassing van het protocol of wat ‘de medische standaard’ genoemd moet worden.

Wat de intellectuele aspiraties betreft van de alternatieve geneeswijzers: zij leven met de ontologische nostalgie dat we weg kunnen uit de hier geschetste verwarrende aspectueuze benadering, terug naar die Totaalbeschrijving van de Hele mens, terug naar dat stadium van een bezielde wereldinterpretatie waarin luchten, zeeën, bomen, stormen, overstromingen, dieren, planten, en natuurlijk ook ziekten allemaal nog een bedoeling hadden. Het is begripsmatig onvoorstelbaar dat u in gesprek zou gaan met de bacterie of de tumor die uw longen vernietigt, om te vragen: waarom doe je dat nou?

Het uiteindelijke holistische verlangen is die bedoeling te leren kennen en zodoende een duiding van het leed te vinden. Maar een echte duiding van leed is onmogelijk geworden. We zullen ons moeten neerleggen bij de absurde mededeling dat we lijden omdat (het is maar een voorbeeld) onze hartklep lekt. Op de vraag: “maar waarom ik?” is geen antwoord meer mogelijk. Men kan in moleculen of organen immers geen kwade of goede bedoelingen jegens de zieke aantreffen.

Het zo moeilijk nader te omschrijven eigene van geneeskunde is dat het de enige discipline is waarvan de beoefenaren zich iets moeten aantrekken van alle drie de aspecten. De socioloog kan de prostaten van alle weduwnaars links laten liggen bij zijn onderzoek naar eenzaamheid onder oudere mannen. De biochemicus hoeft zich niets aan te trekken van de eenzaamheid van de man bij wie hij biochemische bepalingen doet van de prostaatfunctie. Maar de behandelende arts moet iets met én de eenzaamheid én die biochemie én de omstandigheid dat die man niet goed kan plassen. Hierin ligt de verklaring van de omstandigheid dat artsen en patiënten het zelden eens zijn over wie een goede arts is. Voor de ene groep staat bejegening bovenaan (hij komt altijd meteen als je belt), voor de andere groep is de professionele vaardigheid in engere zin het criterium.

Het is de bijna onmogelijke taak van de hedendaagse arts om zich binnen deze opmerkelijke constellatie op de juiste wijze op te stellen ten opzichte van de zieke mens. Dat wil zeggen: handelen in het besef dat wij stof zijn en dus chemisch analyseerbaar, dat wij levend zijn en dus sterfelijk, en dat wij geest zijn en dus in staat tot liefde, kunst, kennis en geloof.

Dat dit te veel gevraagd is blijkt vrijwel dagelijks, maar het is geen bewijs van desinteresse of onmenselijkheid, het is eerder de uitdrukking van het verknipte wereldbeeld waar wij als mens mee worstelen.

We blijven zoek naar een beeld of een beschrijving van de Totale Mens, die niet bestaat.

dinsdag 16 december 2008

De woorden en de dingen

Las Meninas, schilderij van Diego Velázquez, 1656, Madrid

In zijn boek De woorden en de dingen (1966) probeert de Franse filosoof Michel Foucault het 'denksysteem', d.w.z. de basale overtuigingen die de kennis en de wetenschap van een tijdperk organiseren en structureren, van de nieuwe tijd te reconstrueren. Het gaat daarbij vooral om een afgrenzing van de 17de en 18de eeuw (in het Franse spraakgebruik het Classicisme) van de Renaissance en het in de 19de eeuw beginnende modernisme. Als inleiding karakteriseert Foucault het denken van het Classicisme exemplarisch aan de hand van een analyse van het beroemde schilderij van Velázquez. Representatie, aldus Foucault, is een beslissende basisidee van deze tijd. Voorstellingen representeren dingen, ordenen ze binnen een omvattend 'tableau' van tekens en kunnen zich, conform de subjectiviteit van de nieuwe tijd, ook zelfs als zodanig representeren, zoals de schilder zichzelf tijdens het schilderen laat zien. Anders dan in het modernisme kent de op zichzelf betrokken subjectiviteit echter nog grenzen. Dat wat belangrijk is in het spel van de respresentatie van het hof, namelijk het Spaanse koningspaar wordt zelf niet lijfelijk gerepresenteerd, maar verschijnt slechts schimmig in de spiegel die zich achter op de muur van de geschilderde ruimte bevindt.