Posts tonen met het label natuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label natuur. Alle posts tonen

donderdag 7 mei 2009

The Yoga of Herbs


Als een microkosmos verenigt het menselijk lichaam alle fasen in zich. Binnen elk ding zijn alle dingen opgesloten. In het zaad zit de boom, in de boom zit het bos ... De levensvormen zijn stations voor de ontvangst en de overdracht van de krachten waarmee alles gevoed wordt. Elk ding bestaat om alle andere te voeden en wordt op zijn beurt zelf ook gevoed. Op deze wijze dient elk domein van de natuur om leven te ontvangen en door te geven ... Deze krachten zijn niet alleen materieel, maar omvatten ook subtiele energieën van ... spirituele aard ... In de innerlijke wereld is de centrale zon ook de bron van het leven. De innerlijke zon is ons echte zelf.

[Vassant Lad en David Frawley, The Yoga of Herbs]

maandag 19 januari 2009

Nature


The noumenal aspect of nature is the fact of direct experience in which subject and object have not yet separated, ... what people usually refer to as nature is what remains after the subjective aspect, the unifying activity, is removed from concrete reality. For this reason, there is no self in nature. Nature is simply moved from without according to the law of necessity, and it cannot function spontaneously from within.

Our subjective unity and the objective unifying power of nature are originally identical. […] The things that we designate as mountains, rivers, grasses, trees, insects, fish, birds and beasts all have their own respective individuality. Nature as a truly concrete reality does not come into being without having a unifying activity. Nature therefore possesses a kind of self, too. Only when there is a unifying self does nature have a goal, take on significance, and become a truly living nature. […]

Most people of religion conceive of God as something like a great human who stands outside the universe and controls it. This notion of God is extremely infantile … As previously stated, there is a fundamental spiritual principle at the base of reality, and this principle is God. This idea accords with the fundamental truth of Indian religion: Ātman and Brahman are identical. God is the great spirit of the universe. …

Just as there is no world without God, there is no God without the World […] God is none other than the world and the world is none other than God … The criticism of pantheistic ideas – such as the idea that all things are a manifestation of God – is voiced in conjunction with the problem of explaining the origin of evil. To my way of thinking, there is originally nothing absolutely evil; all things are fundamentally good, and reality, just as it is, is the good.

Nishida Kitaro, Zen no Kenkyu - An inquiry into the good.

zondag 18 januari 2009

Natuurbeleving in Japan


“the Ocean speaks and mountains have tongues – that is the everyday speech of Buddha.”
(Dogen)

Als uitgangspunt nemen we David E. Shaner’s “The Japanese Experience of Nature: a detailed Analysis of a Culturally Reinforced Attitude.” Shaner noemt de Japanse levensbeschouwing “ecocentric” in tegenstelling tot de westerse, die hij “homocentric”noemt. Wat Shaner ‘homocentric’noemt zouden we even goed “subject-centrisch” kunnen noemen. In de Japanse natuurvisie is de mens altijd aanwezig in die natuur, en deze laatste kan zonder menselijke aanwezigheid alleen abstract gedacht worden – bijvoorbeeld: de natuur in het tertiair –, maar niet ervaren worden. De westerse relatie daarentegen wil de objectiviteit van het object beschrijven, en moet zich derhalve uit de natuur terugtrekken.

Een tweede aspect van de Japanse natuurvisie is de shugyō, (Chin.: Xio Xin, 修行 )het cultiveren van de aanwezigheid door het verfijnen van de sensitiviteit ten overstaan van de andere aanwezigheden in de natuur. Hieruit ontstaat een ethische houding tegenover alle andere wezens. Dit is filosofisch niet zo eenvoudig te omschrijven, omdat de survival in de natuur afhankelijk is van de ego-intentionaliteit van de ‘mood’ die de natuur in ons induceert. Daarom kunnen de dieren geen ethisch gevoel ontwikkelen. Nu heeft men in onze Grieks-christelijke traditie altijd gedacht dat de rede de natuur aan banden moest leggen door een rechtssysteem op te bouwen, dat de grenzen van het toelaatbare moest vastleggen. Daarenboven moesten wetten en geboden gewoon opgelegd worden, en golden de handelingen zelf als criteria van het morele leven. De frustraties die mensen daardoor te verwerken kregen bleven verborgen, en gaven aanleiding tot een zee van huichelarij. Het boeddhisme heeft precies deze innerlijke ‘Stimmung’ als criterium van ethisch handelen aanvaard: wat men derhalve moet cultiveren is niet het ethisch verkeersreglement, maar de innerlijke gevoeligheid, gebaseerd op de emotionaliteit en op de emotionele participatie aan de objectiviteit zelf. De alter-intentionele Stimmung kan uiteraard alleen ontstaan waar energie disponibel is. Dit alles typeert de Japanse relatie tot de natuur en verschaft – vooral onder stuwing van het boeddhisme – een authentieke basis voor het ethisch handelen, d.w.z. een innerlijke rust die geen gespletenheid tussen dwangmatig handelen en vrije motivering toelaat.

De Shintō-religie (het woord is een combinatie van twee chinese woorden (神道) en betekent “de weg der goden”) – de traditionele autochtone religie van Japan – kan getypeerd worden als animistisch-pantheïstisch: dit betekent dat de heiligheid in de natuur zelf ligt. Wanneer het vroege boeddhisme zich op de Japanse cultuur gaat enten gedraagt het zich niet als een transcendentalisme, zoals het christendom in het westen, maar als een radicaal empirisme, vrij van speculatieve dogmatiek of van interpretatieve metafysiek. Epistemologisch neemt het het standpunt in, dat de zintuiglijke gegevens die ons uit de wereld tegemoet treden zinvol zijn en een “‘naturally’ ... clear epistemic window” vormen. Wat dit venster op de werkelijkheid kan verduisteren is het “conceptual dust”, dat meent zinvolle ontologische uitspraken te kunnen formuleren. Naast deze boeddhistische verdieping van de shintoïstische traditie, spelen ook Chinese invloeden mee: ze sturen allen de Japanse levensbeschouwing in dezelfde richting. Het is enerzijds de sterk agrarische context waaruit de Chinese ‘moederbeschaving’ was gegroeid, anderzijds het taoïsme, dat in zijn wu-wei leer de participatie aan het tao predikte, en tenslotte het neoconfucianisme, dat een holistische kosmologie als basis had.

Yuasa Yasuo zegt hierover: “This convergence between Heian Buddhism and Shintō mountain worship probably took place because of the common tradition of cultivation in the mountains. According to the world view of the Japanese mountain religions, the mountains were where the gods (kami 神 ) were in attendence; a beautiful mountain was called an kan‘nabi 神 山 (God’s mountain).”

Volgens de Shintō-leer participeren alle dingen in een goddelijke aanwezigheid, die als kami gesymboliseerd wordt. “It was characteristic of the religious views of the ancient Japanese that they believed spirits to reside in all kinds of things.” Ze vereerden deze kami in “some specific natural object, e.g. mountain, river, forest, tree, or stone.” Dit betekent dat de shūgyo zal gericht zijn op de ervaring van het kami-karakter van de natuur. Dit betekent ook dat geen meta-structuur, en dus ook geen buitenaardse God, zal aangewend worden als verklaring of zingeving van de natuur. Om echter dit ‘empfindliche’ begrijpen – niet in rationele zin – mogelijk te maken is vereist, wat Shaner – in navolging van Masatoshi Nagatomi – noemt: “a non-symbolic interpretation of symbols.” Dit betekent dat men de zogenaamde symbolen van de natuur niet interpreteert als tekens die verbinden met een achter- of bovenliggende betekenis, zoals het christendom de natuur, bij middel van de idee van de schepping, aan een God-schepper relateert. De natuur verbindt als symbool alleen met zichzelf en heeft dus een intrinsieke autonome waarde. Deze waarde kan alleen gekend worden in haar ‘natuurlijkheid’, in haar zuiverheid, één-voud en authenticiteit. Dit wil zeggen: los van elke meta-structuur waaraan ze haar zin zou moeten ontlenen.

Het is opvallend dat de Shintō-tempels geen muren hebben, en eigenlijk niet meer zijn dan poorten (torii 鳥居). Het zijn dus plaatsen in de natuur, en geen ruimten die men aan de natuur onttrekt om ze aan God te wijden – waardoor men die natuur in wezen desacraliseert. “When entering the gate, one is thus reminded of the possibility of acquiring more than just a deep appreciation of nature in its pristine form; one enters nature fully engaging an experience of mutual interpretation.”

Deze houding van liefde voor de natuur is, ondanks alle moderne lelijkheid van de geïndustrialiseerde wereld, nog altijd op een vreemde wijze in de Japanse samenleving aanwezig. H. Nakamura zegt hierover: “The way of thinking that recognizes the absolute significance in the phenomenal world seems to be historico-genetically oriented by the Japanese attitude of love of nature. The Japanese in general loved rivers, mountains, grass and trees, and longed for nature.” Waar deze liefde voor de natuur zich in China bij voorkeur richt op weidse landschappen, is ze in Japan gekenmerkt door de gerichtheid op het kleine, het delicate: “The love of nature, in the case of the Japanese, is tied up with the tendencies of the love of minute things and of the esteem for delicate things.” Dit uit zich in de haiku-gedichten, in de tuinaanleg, in ikebana, enz.. D. T. Suzuki, die de Japanse natuurliefde wellicht te eenzijdig uit Zen wil afleiden, beschrijft deze houding in contrast tot de westerse als volgt: “De gedachte van de zogenaamde ‘verovering van de natuur’ stamt, denk ik, uit het hellenisme, die de aarde tot knecht van de mensen, de zee en de stormen tot zijn dienaren wilde maken. Ook de hebreeuwse levensbeschouwing loopt daarop uit. In het oosten echter heeft deze idee, de natuur aan het bevel en de dienstbaarheid van de mensen en zijn zelfzuchtige behoeften te onderwerpen, nooit weerklank gevonden. Want voor ons is de natuur altijd vriendelijk en behulpzaam geweest, zij is voor ons geen vijand, die de mens onder zijn heerschappij zou moeten brengen. Wij mensen van het oosten hebben de natuur nooit ervaren als een in de weg staande macht. In tegendeel, ze is voor ons een bestendige vriendin en gezellin gebleven, waarop wij ons onvoorwaardelijk verlaten kunnen, zelfs in weerwil van de veelvuldige aardbevingen, die ons land doen schudden. Aan de idee van de verovering hebben wij een hekel.” Misschien komt dit beeld ons, 40 jaar na datum, geïdealiseerd over. Maar toch is er in de Japanse cultuur in globo veel bewaard van die verfijnde gevoeligheid voor de natuur, die Seyyed Hossein Nasr (Man and Nature) als volgt typeert: “In Japan ... there is a particular emphasis upon the significance of nature in a cultic sense. Among a people with remarkable artistic sensitivity there developed the most intimate contact with nature, from rock gardens and landscape painting to flower arrangements, all based on the knowledge of cosmic correspondences, sacred geography, the symbolism of directions, forms and colours. Spiritual methods became closely allied to the inward contemplation of nature and intimacy with its rhythms and forms.”

In deze “shintoïstische” wereld doet het boeddhisme zijn intrede. Dit betekent ook meteen dat aan de verhouding van de mens tot de natuur een filosofische onderbouw zal gegeven worden. Een van de fundamentele vragen die in het boeddhisme van het Verre Oosten oprijst is of alleen de mens geroepen is tot verlichting en verlossing, dan wel of alle dingen in de natuur ook deelachtig zijn aan de boeddha-natuur. Dit is ongetwijfeld de meest fundamentele vraag die ooit in de context van de religies is gerezen. Er zijn immers maar twee fundamentele mogelijkheden: enerzijds het theïsme, dat het Absolute buiten de wereld plaatst en deze laatste beschouwt als een schepping van dit Absolute. Ondanks alle theologische problemen en contradicties die fundamenteel in dit theïsme aanwezig zijn, heeft het theïsme de grote westerse religies, Jodendom, christendom en Islam volkomen beheerst, en hebben deze zich altijd hardnekkig verzet tegen de idee van de sacraliteit van de natuur. De andere grote strekking werd door de theïsten bestempeld als pantheïsme, al is dit een vrij ongelukkige term, omdat hij het begrip ‘theos’ omvat. Dit voelt men ten zeerste aan als men het boeddhisme filosofisch tracht te duiden.

Op een buitensporig duidelijke dag


Op een buitensporig duidelijke dag,
Dag waarop men zin heeft veel gewerkt te hebben

Om daarop juist niet te werken,

Zag ik een glimp, gelijk een weg tussen de bomen,

Van wat wellicht is het Grote Geheim,

Dat Grote Mysterie waarvan de onechte dichters spreken.


Ik zag dat er geen Natuur is,

Dat Natuur niet bestaat,

Dat er bergen zijn, valleien, vlakten,
Dat er bomen zijn, bloemen en grassen,

Dat er stenen zijn, rivieren,

Maar dat er geen geheel is waartoe dit behoort,

Dat een ware, werkelijke samenhang

Een ziekte van ons denken is.


De Natuur bestaat uit delen zonder een geheel.

Misschien is dit dat zogenaamd mysterie waar ze het over hebben.


Dit was wat ik zonder denken of bij stilstaan

Begreep dat de waarheid moest zijn, de waarheid

Die allen uit vinden gaan zonder te vinden

En die ik alleen, omdat ik niet uit vinden ging, gevonden heb.


[Alberto Caeiro, uit O guardador de rebanhos (de hoeder van kudden), XLVII, 1914]

woensdag 14 januari 2009

De stilte van het land


De verre heuvels maken
trage bogen aan de einder
en het kopergele koren
blikkert in de zon
langsheen de open velden
door het eeuwig groen der weiden
loopt het oude wagenpad zijn weg
doorheen de mulle grond
en onder in het dal
tussen het groene loof der eiken
ligt het kleine dorp verscholen
als in een oud verhaal
witgekalkte gevels
zoete geuren van jasmijnen
alsof er nooit iets was veranderd
en de tijd had stilgestaan



De dorpstraat ligt verlaten
in de schaduw van de huizen
alleen een trage fietser
maakt krassen in het grint
door de openstaande ramen
komt de geur van de fornuizen
het gefluister van de vrouwen
of het schreien van een kind
en over de bruine velden
trekken traag de brede paarden
langs de flanken van de heuvels
plooien in het warme zand
de boerenlijven buigen
over de verse aarde
alsof de grote meester Breughel
ze daar had neergeplant

En hoog over dit alles
klinkt een zachte melodie
als een teken van de verre overkant
de stilte van het land

Hier leeft men met de eenvoud
maar toch als kleine goden
op het ritme der seizoenen
een vredevol bestaan
met regen zon en wind
als trouwe bondgenoten
bewerkt men er de aarde
zoals men eeuwen heeft gedaan
alsof de grenzen tussen heden
en verleden zijn verschoven
alsof er nooit iets was veranderd
en de tijd had stilgestaan

Want hoog over dit alles
klinkt een zachte melodie
als een teken van de verre overkant
de stilte van het land
de stilte van het land

De stilte van het land / lied van Zjef Vanuytsel


maandag 12 januari 2009

Plato's grot (4) Waarheid als overeenstemming


Plato beschouwde de doxai (“meningen”) als subject-betrokken uitspraken over de obejctiviteit: mijn waarheid had prioriteit op dé waarheid. Een epistèmè daarentegen was een object-gerichte uitspraak die probeerde de subjectiviteit uit te schakelen. De waarheidswaarde van de epistemai is echter omgekeerd evenredig met de graad van vrije energie van het object zelf. Daarom hebben de meeste uitspraken in het domein van de psychologie een doxisch karakter, die nooit objectief, alleen maar intersubjectief zijn. Daardoor zijn ze ook vaak paradigmatisch van aard. Uitspraken op het domein van de fysica vertonen veel gemakkelijker een epistemisch karakter, maar deze is een gevolg van de relatieve informatieve armoede van het beschreven object. De prijs die we voor de vrijheid van energie betalen is de epistemische armoede.

Indien we het object op een schaal van toenemende vrijheidsgraad plaatsen, stellen we vast dat de epistemologische relatie een toenemende graad van doxiteit vertoont. Extrapoleren we deze op oneindig, d.i. op een oneindige vrijheidsgraad – die men traditioneel aan ‘God’ toekent – dan moeten we besluiten dat de graad van doxiteit oneindig wordt en die van epistemie nul. Dit betekent dat er over ‘God’ geen logische uitspraken mogelijk zijn en er alleen meningen kunnen bestaan. Dit werd door het boeddhisme in zijn leer over de ‘Leegte’ bijzonder goed aangevoeld. Dit verklaart waarom er zoveel gods-beelden bestaan die geen van alle exclusiviteit vertonen. Dit waarschuwt de theologie ook voor de banale antropomorfe interpretatie van Gods vrijheid als een soort willekeur, als gril en wil van een autocraat, die schept, die genade uitdeelt en uitverkiest naar willekeur.

Martin Heidegger meent dat deze allegorie van de grot een keerpunt is in de geschiedenis van het westerse denken. Hèt keerpunt zelfs, waar de werkelijkheid, tot dan gedacht of ervaren als aanwezigheid, ousia, in haar onverhuldheid, aletheia, van nu af aan onder het juk van de idea gebracht wordt. De waarheid van de werkelijkheid is vanaf Plato, meent Heidegger, ‘elders – met’ekeina’. Hier ligt het begin van de filosofie als metafysica. Sindsdien is er geen sprake meer van de onverhulde waarheid, aletheia, maar van de waarheid als overeenstemming tussen het ‘elders’ en de werkelijkheid.

Deze allegorie lijkt in eerste instantie zonneklaar te zijn, temeer daar Plato zelf haar ook nog eens interpreteert. De grotbewoners zijn geketend door hun uitwendige zintuigen, door hun uiterlijke waarneming. De bevrijding ontketent het innerlijke zintuig, het denken. Het denken is het contemplatieve vermogen van de ziel. Terwijl de begerigheid en de moed, de beide andere zielsvermogens, zich in de zintuiglijke wereld verstrikken, maakt het denken zich daaruit los en vergunt het een blik op de dingen zoals ze waarlijk zijn. De aanblik van de zon, waarnaar het denken zich opwerkt, is het zinnebeeld van de hoogste waarheid. Maar wat is die waarheid? Plato zegt: het goede. Maar wat is het goede? Het goede is als de zon. Dat betekent twee dingen. Het laat ten eerste de dingen zien, het maakt de kenbaarheid van de dingen en daarmee ook onze kennis mogelijk; ten tweede laat het alles wat is, ontstaan, groeien en gedijen. Het goede maakt de triomf van de zichtbaarheid mogelijk, waarvan ook de grotbewoners nog profiteren, want het vuur, een spruit van de zon, zorgt ervoor dat ze tenminste de schaduwbeelden kunnen zien; en het goede maakt het mogelijk dat er hoe dan ook iets is, en dat dit iets in het zijn standhoudt. Plato stelt zich dit omvattende zijn, dat leeft vanuit de kracht van het goede, voor als een rechtvaardig geordend gemeenschapswezen: de ideale polis. Het uitgangspunt van de dialoog was de vraag naar het wezen van de rechtvaardigheid, en Plato verklaart uitdrukkelijk dat het uiterst moeilijk is om de rechtvaardigheid, dus het door het goede geordende zijn, door onderzoek van de ziel te leren kennen, en dat het beter is haar in een ruimer kader, namelijk in het kader van de polis te beschouwen. . Heb je haar eenmaal in de macro-antropos van de polis leren onderscheiden, dan zul je haar ook in de ziel van de enkeling herkennen. Het grondprincipe van de rechtvaardigheid, dat Plato in zijn ideale staat ten tonele voert, is de verwerkelijking van de juiste maat en de ordening. In een hiërarchisch opgebouwde wereld van ongelijke mensen wordt ieder de plaats gewezen waarop hij zijn specifieke krachten kan ontplooien en voor het geheel kan inzetten. Het beeld van het harmonisch samenwerkend geheel wordt door Plato bovendien nog uitgebreid; het omvat niet alleen de polis, maar ook de nog ruimere dimensie van de pythagoreïsche harmonie der sferen. Op die manier wordt bovendien de cirkel gesloten. De ziel heeft een kosmische oorsprong en de kosmos is verwant aan de ziel. Ziel en kosmos vibreren beide in een sfeer van rust en onveranderlijkheid. Ze zijn zuiver zijn, in tegenstelling tot de veranderlijke tijd, tot het worden.

Bij Plato is er ‘waarheid’ die bestendigheid heeft en er dus op wacht door ons te worden gevonden. De schaduwbeelden op de wand zijn kopieën van het origineel, namelijk van de dingen die schaduwen werpen en die achter onze rug in het schijnsel van het vuur voorbij worden gedragen. De afbeelding heeft betrekking op een origineel. Maar ook die ‘originele’ dingen zijn met het oog op de volgende en hogere trap, dus met het oog op de ideeën, slechts onvolkomen afbeeldingen. De ware kennis dringt door de afbeeldingen heen en ontdekt het origineel, dat wat eigenlijk ‘is’. Waarheid is juistheid, adequaatheid van de kennis ten overstaan van het gekende.

De waarnemingen van de grotbewoners zijn onwaar omdat ze alleen de schijn vatten, en het zijn dat erin verschijnt missen. Voor Plato bestaat de absolute waarheid van de ideeën. In de verheffing van de ziel, met een denken tussen mathematica en mystieke extase in, is het mogelijk die waarheid te bevatten. Voor Heidegger daarentegen kan een dergelijke waarheid niet bestaan; voor hem bestaat er alleen een waarheidsgebeuren dat zich in de verhouding van de mens tot zichzelf en tot de wereld voltrekt. De mens ontdekt geen onafhankelijk van hem existerende waarheid, hij ontwerpt – in de verschillende tijdperken telkens op andere wijze – een interpretatiehorizon, waarbinnen het werkelijke een bepaalde zin krijgt. Onze hele beschaving is de uitdrukking van een bepaald zijnsontwerp, zozeer dat we ons zelfs in het triviale geval dat we een willekeurig ritje met de tram door de stad maken nog in het domein van dit ontwerp bewegen.

Waarheid bestaat noch aan de kant van het subject, in de zin van de ‘ware’ uitspraak, noch aan de kant van het object, in de zin van het adequaat getypeerde, maar het is een gebeuren dat zich in een dubbele beweging voltrekt: een beweging vanuit de wereld, die zich toont, te voorschijn komt, verschijnt; en een beweging vanuit de mens, die zich de wereld eigen maakt en ontsluit. Dat dubbele gebeuren speelt zich af binnen de afstand waarin de mens zowel tot zichzelf als tot zijn wereld is geplaatst. De mens heeft weet van die afstand omdat hij zichzelf ervaart als een wezen dat zich kan tonen en zich kan verbergen. Die afstand is de speelruimte van de vrijheid. Het wezen van de waarheid is de vrijheid. (Martin Heidegger, Vom Wesen der Wahrheit), Vrijheid in die zin betekent: afstand hebben, speelruimte. Die speelruimte hebbende afstand noemt Heidegger ook openheid. Zou die openheid er niet zijn, dan zou de mens zich niet van zijn omgeving kunnen onderscheiden, en dus ook helemaal niet weten dat hij er is.

De bondigste uitdrukking voor dit waarheidsbesef vindt Heidegger in de Griekse term voor waarheid: ‘aletheia’, letterlijk vertaald ‘on-verborgenheid’. Waarheid is bevochten op de verborgenheid, hetzij doordat een zijnde zich toont, te voorschijn komt, hetzij doordat het te voorschijn wordt gebracht, onthuld. In elk geval is het een soort strijd die hier plaatsvindt. De mens bezit geen onwrikbare waarheden, maar hij staat – onwrikbaar – in een verhouding tot de waarheid, die dat spel van verbergen en onthullen, te voorschijn treden en verdwijnen, er-zijn en weg-zijn teweegbrengt.

Deze overwegingen moeten tot de conclusie leiden dat er geen metahistorisch waarheidscriterium kan bestaan, er is alleen een waarheidsgebeuren en dat wil zeggen: een geschiedenis van zijnsontwerpen. Maar die geschiedenis is identiek met de geschiedenis van de leidende paradigma’s van de culturele tijdperken en beschavingstypen. Zo wordt de moderne tijd bepaald door haar zijnsontwerp van de natuur.

“Het beslissende wat er is gebeurd, is dat er een ontwerp werd uitgevoerd, waardoor in een sprong vooruit werd omgrensd wat voortaan eigenlijk onder natuur en natuurproces dient te worden verstaan: een tijd-ruimtelijk bepaalde bewegingssamenhang van massapunten.”

(Martin Heidegger, Vom Wesen der Wahrheit)

Natuur wordt een voorwerp van berekening en de mens ziet zichzelf als een ding te midden van de dingen; de aandacht beperkt zich tot aspecten van de wereld die op de een of andere manier beheersbaar en manipuleerbaar lijken.

Heidegger geeft toe dat bij Plato de grondervaring van de ‘aletheia’, opgevat als openend waarheidsgebeuren (zonder ‘objectieve’ waarheid) al krachteloos begon te worden en al werd omgevormd tot de gebruikelijke opvatting van het wezen van de waarheid als juistheid van uitspraken.

Binnen de grot van Plato wachten ons de Ideeën als constituenten van een stralende – en verblindende – wereld van theoretische structuren. Alles is in dit felle licht zo volmaakt als de wiskunde. Maar mensen zijn geen engelen en kunnen in dit zonovergoten landschap niet leven: ze moeten terug naar de grijze werkelijkheid, en deze is alleen in de grot te vinden.