
[Stephen W. Hawking, A brief history of time]
Genieten van de rust op het perron van mijn ziel



Verschillende culturen hadden zeer verschillende ideeën over de vraag of en hoe de geest zich bij de dood van het lichaam zou kunnen losmaken. De oude Egyptenaren, Indiërs en Grieken geloofden echter dat de geest de dood kon overleven. Het ligt voor de hand dat deze overtuiging gevolgen heeft voor de manier waarop we de verbanden tussen geest, lichaam en stof in het algemeen zien. Als de geest zich bij de dood van het lichaam kan losmaken en als onzichtbare, maar actieve entiteit kan voortbestaan, dan zouden we kunnen concluderen dat het leven uit twee aparte entiteiten bestaat: een onzichtbare actieve geest (of ziel) die gebruik maakt van een passief stoffelijk lichaam. Bovendien zouden alle andere entiteiten ter wereld ook uit een dergelijke combinatie van geest en stof bestaan. Dit dualistische onderscheid tussen actieve geest (of ziel) en passieve materie is een voorloper van het onderscheid tussen energie en materie dat ervoor in de plaats komt: de moderne opvatting van energie heeft de geesten als voorgangers.
In vroegere verklaringen van de wereld werden aan objecten bedoelingen of verlangens toegeschreven, en werden gebeurtenissen uitgelegd in termen van de verlangens van geesten en goden. Dit type verklaring (de zogenoemde ‘teleologische’ of ‘intentionele’) is een afspiegeling van het type dat we gebruiken om gedrag van andere mensen te verklaren. Als iemand me een klap met een honkbalknuppel geeft, zou ik het gedrag kunnen verklaren door het toe te schrijven aan de boosheid van de aanvaller of aan zijn bedoeling me te beroven. Op dezelfde manier zou onze holbewoner, als hij een steen op zijn hoofd kreeg, dat misschien als boosheid of bedoeling van een geest, god of misschien wel de steen zelf hebben gezien. Tegenwoordig zouden we een 'mechanistische' verklaring voor zo’n gebeurtenis zoeken (de steen viel bijvoorbeeld uit een gebouw), in plaats van slechte bedoelingen aan de steen of gebeurtenis zelf toe te schrijven. In de oude wereld konden betrekkelijk weinig echte 'ongelukken' plaatsvinden, omdat men meende dat de meeste gebeurtenissen door iemand, iets of een bepaalde god waren bedoeld. Zo werd vrijwel alles als betekenisvol gezien; in volstrekte tegenstelling daarmee worden tegenwoordig de meeste fysische gebeurtenissen (zoals het botsen van atomen of het uitdijen van het heelal) als intrinsiek betekenisloos en toevallig gezien, tenzij er menselijke bedoelingen bij betrokken zijn. En zelfs wanneer het om mensen gaat, geven wetenschappers vaak de voorkeur aan mechanistische verklaringen. De wetenschapper herleidt die klap op mijn hoofd met een honkbalknuppel bijvoorbeeld tot de effecten van de opvoeding van de aanvaller op biochemische processen in zijn hersenen, in plaats van tot een vooropgezette intentie om me te beroven.
Moderne wetenschap berust eerder op mechanistische dan teleologische verklaringen, en maakt nadrukkelijk onderscheid tussen passieve materie en de onzichtbare geest. De wetenschappelijke vooruitgang heeft tot een langzame terugtocht van intentie (en geest) uit de wereld geleid: eerst uit de levenloze materie, daarna uit het lichaam naar de hersenen, terwijl de laatste tijd door zowel filosofen als neuro-wetenschappers pogingen zijn gedaan om intentie uit de hersenen zelf te verbannen. Toch prefereren we als individu intentionele of antropomorfe verklaringen van de wereld boven kille mechanistische verklaringen. We denken liever dat mensen en dieren dingen doen omdat ze het willen dan omdat hun hersenen hen dwingen deze dingen te doen. We denken graag dat de wereld en het universum betekenis hebben, in plaats van dat het zinloze toevalligheden zijn. Dat de wetenschap mensen van zich vervreemdt is deels toe te schrijven aan haar verwerping van intentionele verklaringen; en veel van de aantrekkingskracht van godsdienst en literatuur zou kunnen samenhangen met hun royale gebruik van antropomorfisme en intentionele verklaringen. Bovendien kan er best een goede mechanistische verklaring zijn voor de reden waarom we de intentionele verklaring prefereren, namelijk omdat die in onze hersenen gestructureerd is. Recent psychologisch onderzoek wijst erop dat we het vermogen om aan anderen bedoelingen toe te schrijven op driejarige leeftijd ontwikkelen, en dat kinderen die dit vermogen niet ontwikkelen (bijvoorbeeld door een hersendefect) veel meer kans hebben om autistisch te worden en niet tot functionele interactie te komen. Onze voorkeur voor intentionele verklaring van andere mensen en de wereld vloeit voort uit het feit dat onze hersenen zo functioneren, vermoedelijk omdat die wijze van verklaren tijdens de evolutie bevorderlijk was voor overleving. Gedurende de evolutie van de wetenschap is echter gebleken dat de intentionele verklaring, in vergelijking met de mechanistische verklaring, betrekkelijk weinig succes heeft in het voorspellen van het gedrag van de wereld.

Na het verval van het vlees blijven de beenderen over. Sommige culturen geloofden dat de beenderen de wezenlijke kern van de mens voorstelden, en het vlees er de vergankelijke bekleding van was. De beenderen bevatten een essentieel vocht, dat we nu zouden aanduiden als het merg in onze grote botten, het ruggenmerg in de ruggengraat, de hersenen in de schedel, en het hersenvocht dat zich overal in de holten van hersenen en ruggengraat bevindt. Al deze 'beenderen' omringen – alsof ze het willen beschermen – een grijsachtig-wit geleiachtig materiaal of vocht, dat in het oude Griekenland werd beschouwd als de oorsprong van sperma, dat ook een gebroken wit, geleiachtig vocht is. Men meende dus dat sperma afkomstig was van deze levensgelei, een soort scheppend element, die hersenen, ruggenmerg en beenmerg vormde. De Romeinen geloofden bijgevolg dat de moeheid van mannen na orgasme en ejaculatie te wijten was aan uitputting van scheppende kracht in heel het lichaam. De mythe dat masturbatie blind maakt vindt misschien zijn oorsprong in deze oude opvatting dat het sperma deels aan de hersenen wordt onttrokken. In Griekse legenden werden goden en godinnen rechtstreeks uit het hoofd (Athene) of dijbeen (Dionysus) van Zeus geboren, omdat men meende dat zich daar de scheppende kracht bevond. Het geloof dat beenderen de essentiële kern van de mens waren, omdat ze het voortplantingsvermogen van het individu omhulden, kan de drijfveer zijn geweest voor het gebruik, in veel culturen, om het gebeente van voorouders te bewaren.
Het verval van het lichaam na de dood lijkt de tegenhanger van zijn groei tijdens het leven. De groei van het lichaam is afhankelijk van voedsel, en het is maar al te duidelijk dat mensen, wanneer ze ophouden met eten, niet meer groeien, verschrompelen en vervolgens sterven. In voedsel of in eten zat duidelijk iets wat verband hield met leven, en deze samenhang was des te sterker omdat voedsel uit pasgestorven dieren of planten bestond. Men meende dan ook dat voedsel hetzij een ziel, hetzij zielenvoedsel bevatte. De meeste oude culturen kenden religieuze riten waarbij mensen- of dierenoffers en het eten van het vlees betrokken waren. Vaak werd het voedsel gezegend of anderszins getransformeerd, zodat een god of ziel het kon binnendringen en in het lichaam van de eter kon worden opgenomen. De christelijke mis is deels ontleend aan oudere orfische en bacchische rituelen, waarbij voedsel magisch werd omgezet in lichaam en ziel van een god, die dan toegang kreeg tot lichaam en ziel van de etende persoon. Een vorm van zo'n ritueel wordt beschreven in Bacchanten van Euripides, waarin de gewoonlijk zo fatsoenlijke dames uit de hogere kringen van Athene in extase raken terwijl ze jagen op een wild dier, dat de god Dionysus voorstelt, het aan stukken scheuren en het rauwe vlees verslinden. Dit was een manier om 'enthousiasme' te verwerven, wat in het Grieks het binnentreden van een god in de persoon betekent. Enthousiasme is dus een soort mentale energie en deze rituelen waren een manier om die te krijgen.
Het denkbeeld dat voedsel in het lichaam wordt opgenomen – dat de essentie van het voedsel, eenmaal gegeten, de essentie van het lichaam wordt – dateert van vóór het klassieke Griekenland, maar hoe deze transformatie precies in zijn werk zou kunnen gaan, werd pas uitgewerkt toen de Grieken verschillende schema's ontwikkelden. Eén idee was dat voedsel werd afgebroken en in bloed werd omgezet, en vervolgens op verschillende manieren stolde (zoals bij bloedstolling) tot de organen van het lichaam. Hoewel dit de groei van kinderen zou kunnen verklaren, bood het geen echte verklaring voor het feit dat volwassenen, die niet groeien, grote hoeveelheden voedsel nodig hebben. Later, in de zesde eeuw v. Chr., werd door Alcmaeon het idee van 'dynamische bestendigheid' ontwikkeld, dat inhield dat de structuur van het lichaam voortdurend werd afgebroken en vervangen door nieuwe structuren en stoffen die aan voedsel werden ontleend. Dit zou het feit verklaren dat het lichaam na de dood, wanneer het niet meer kan eten, langzaam vergaat. Het algemene denkbeeld dat materiële dingen bestaan uit kleinere componenten, die anders kunnen worden geordend en zo alle verschillende vormen of structuren van dingen (zoals voedsel of het lichaam) produceren, was een uiterst belangrijk en vruchtbaar idee. Het werd vooral ontwikkeld door Griekse filosofen zoals Plato en Democritus, en leidde tot veel speculatie over wat die enkelvoudige componenten zouden kunnen zijn, bijvoorbeeld water, vuur, lucht of aarde, of verschillende vormen van atomen.

Oude culturen maakten vaak geen onderscheid tussen de letterlijke (of concrete) en metaforische of figuurlijke (of abstracte) toepassing van een begrip – het concept metafoor is pas in de vierde eeuw v.Chr. door Aristoteles bedacht. De oude Grieken gebruikten een woord zoals psyche dus om zowel naar een substantie in het lichaam als naar het gedrag van de ziel te verwijzen. Men is geneigd te zeggen dat de oude Grieken en andere vroege culturen letterlijker waren ingesteld en hun denken minder abstract was. In het moderne taalgebruik wordt echter evenmin veel onderscheid gemaakt tussen letterlijk en figuurlijk gebruik van woorden. Het woord 'energie' wordt algemeen gebezigd om allerlei dingen te beschrijven, van de stroom die via elektriciteitsdraad wordt geleverd tot de intensiteit van een artistieke prestatie. Tevens blijkt die letterlijke instelling uit de neiging om een eigenschap van een object te verklaren als het gevolg van een afzonderlijke substantie in het object (een onfortuinlijke neiging die bekendstaat als 'verstoffelijking'.) Dr. Pangloss verklaarde in Voltaires Candide in slaap vallen bijvoorbeeld als voortvloeiend uit een 'slaapbeginsel' in lichaam of geest. Zo is ook 'leven', dat in essentie een toestand of vorm van zijn is, in termen van stof verklaard: leven of vis viva (de levenskracht). Dingen met kracht of hartstocht doen is verklaard in termen van het bezitten van 'energie', waarbij de energie verschaffende substantie in lichaam of geest rondwervelt. Een eigenschap of gedrag als 'ding' beschouwen kan in sommige gevallen nuttig zijn, maar er zijn meer wetenschappelijke of intellectuele vorderingen gemaakt door 'dingen' in termen van processen uit te leggen. De meeste wetenschappers denken dus niet langer aan leven of energie als dingen die door afzonderlijke stoffen te verklaren zijn. Het zijn eerder specifieke ordeningen of processen van materie. In het normale spraakgebruik hebben leven en energie nog altijd een combinatie van letterlijke en figuurlijke betekenissen, die deels betekenissen uit veel vroeger tijden weerspiegelen.
In oude culturen werd het kloppen van het hart geassocieerd met het bewegen van bloed in het lichaam, zoals bleek uit de polsslag en de ritmische manier waarop bloed uit doorgesneden slagaders gutste. De polsslag werd in de geneeskunde van het oude Griekenland, India en China gebruikt voor diagnose van gezondheid en ziekte, kracht en dood. De felle kleur van bloed, de dramatische manier waarop het uit wonden gutst, zijn vermogen om, eenmaal buiten het lichaam, snel te stollen, en het feit dat bloedverlies met de dood samenhing, droegen allemaal bij aan het idee dat het nauw verbonden was met leven. In sommige culturen werd bloed in feite als de levenssubstantie zelf gezien. Er zijn veel begraafplaatsen uit de steentijd ontdekt waarin de beenderen waren bedekt met rode oker, die waarschijnlijk bloed voorstelde, wat erop wijst dat het verband tussen bloed en leven (of dood) al zeer lang wordt gelegd. Het drinken van bloed, letterlijk of symbolisch (zoals in de christelijke eucharistie), was een manier om de ziel/energie van mens, dier of god op de drinker over te dragen.


Volgens Hindoes bestaat naast het fysieke lichaam een astraallichaam, dat dezelfde ruimte inneemt als het stoffelijk lichaam en ermee verbonden is door een koord dat bij overlijden breekt. De levensenergie, prana, stroomt door dit astrale lichaam via duizenden kanalen – nadi’s – die zeven energiecentra of wielen van licht, chakra’s genaamd, met elkaar verbinden. Gezondheid en bewustzijn kunnen worden beheerst door het stromen van prana te reguleren met behulp van pranayama (ademhalingsoefeningen), asana's (yogahoudingen) en meditatie. Normaal gesproken beweegt het merendeel van onze prana zich door de nadi's Ida en Pingala, die door respectievelijk het linker- en, het rechterneusgat lopen en respectievelijk verkoelende maanenergie en verwarmende zonneenergie bevatten. Yogi's beweren hun bewustzijnsniveau te kunnen beheersen door hun adem, en dus het stromen van prana, minutieus te reguleren door diepte en ritme en gebruik van de neusgaten in hun ademhaling te variëren. Bij een bepaalde vorm van yoga, 'koendalini-yoga', past de yogi ademhalingstechnieken en meditatie toe om de scheppende vrouwelijke energie (koendalini) te mobiliseren die in alle mensen – mannen en vrouwen – sluimerend aanwezig is. Deze energie wordt gesymboliseerd door een slapende slang die, ineengerold rond de onderste chakra, onderaan de ruggengraat ligt. De yogi probeert innerlijke warmte te creëren, waardoor de slangenkracht uit zijn slaap ontwaakt, via de centrale nadi langs de ruggengraat oprijst, op zijn weg elke chakra ,doorboort en hun. energie in zich opneemt, en zich ten slotte verenigt met de mannelijke energie van de kruinchakra aan de bovenkant van het hoofd. Koendalini kan worden ervaren als een elektrische lading die in een flits van onder naar boven door de ruggengraat schiet, en bij succes resulteert in een hogere bewustzijnstoestand waarin alle illusies zijn opgeheven.

Om tot een juiste interpretatie van het Chinese concept ch’i, 氣 energie te komen, dienen we van het volgende uit te gaan: er is een metafysische ch’i, die begrepen kan worden als de universele kracht of de universele adem. In een dynamisch-organische wijze van denken, is adem de meest klaarblijkelijke uitdrukking van een mysterieuze kracht. We zien deze kracht werken (en ademen) op een macrokosmisch niveau, bijvoorbeeld als wind. Het is duidelijk dat wind inderdaad lucht is, maar het is veel meer: het is bewegende lucht, en deze beweging wordt veroorzaakt door een innerlijke kracht. Lucht is het externe statisch aspect van wind, ch’i dynamiseert lucht en maakt het ademen. Brengen we deze idee op het menselijk niveau, dan kunnen we stellen dat ch’i zich veruitwendigt in adem. Dit betekent dat adem inderdaad ch’i is, maar ch’i is meer dan adem, het is de levenskracht alsdusdanig. We kunnen besluiten dat ch’i een organische, spontane kracht is die zich zelf het duidelijkst uitdrukt op het kosmisch niveau als kosmische adem, als wind; en op het menselijk niveau, zijn bestaan het duidelijkst bewijzend in de adem. In een organisch wereldbeeld is het normaal dat ‘hemel en aarde’ beschouwd worden als een organisme, dat een levenskracht bezit, en daaruitvolgend ademt.
Wanneer we ch’i vertalen als energie, moeten we voor ogen houden dat alles “ergeia” is, vermits de wereld een wordingsproces is. In het zijnsdenken wordt “ergeia” beschouwd als verstoring van het eeuwig zijn, en vraagt dus om een kracht, die deze “ergeia” doet gebeuren. Maar in een wordingswereld is alles in eeuwige beweging, en bestaat er geen materieel zijnde dat door een kracht in beweging wordt gebracht, maar is de materie zelf energie. Vandaar dat een vertaling als “materie-energie” aanvaardbaar is maar in feite is het een “vertaling”, die ch’i opsplitst in twee constituenten die tot het westers denken behoren. In China wordt materie beschouwd als gecondenseerde energie, zoa1s bij Wang Chung: “As water turns into ice, so the ch'i crystallise to form the human body.”
In China stond ademenergie bekend als ch’i (uitgesproken als tsji en soms geschreven als qi), en ch’i was een fundamentele component van het universum. De Hwangdi Neijing stelt:
'Dat wat van meet af aan in de hemel was is ch’i; op aarde wordt het zichtbaar als vorm; ch’i en vorm werken op elkaar in en brengen zo de ontelbare dingen voort.”
Er bestaan veel soorten ch’i, die soms aards en stoffelijk, bij andere gelegenheden hemels en onstoffelijk zijn, en haar effect kan men zien in de groei van een plant, in het denkvermogen, of in de energie die processen in werking stelt. Leven komt voort uit een accumulatie van ch’i; dood uit haar verdwijning. Ch’i betekent ook 'lucht', maar lucht werd als onstoffelijke lege ruimte gezien; ch’i is dus geen stoffelijke substantie, maar eerder een proces, kracht of energie. In het lichaam wordt ch’i echte ch’i genoemd, en deze wordt zowel uit lucht verkregen door de ademhaling als uit voedsel en water door consumptie. De Hwangdi Neijing verklaart:
“Echte ch’i is een combinatie van wat men van de hemel ontvangt en de ch’i uit water en voedsel. Ze doordringt het hele lichaam.”
Echte ch’i circuleert door het lichaam via twaalf hoofdbanen of meridianen. Deze meridianen zijn aan de buitenzijde van het lichaam in kaart gebracht, zodat de energiestromen met acupunctuur kunnen worden gereguleerd, hoewel de meridianen niet kunnen worden vereenzelvigd met enige anatomische structuren in het lichaam. Elke meridiaan is echter ook met een bepaald orgaan en een bepaalde functie verbonden, en de ch’i-stroom langs de meridiaan vervult die functie via de transformerende werking van ch’i. Zoals de Chinezen het formuleren:
“De meridianen zijn de kanalen voor de transformerende werking van ch’i in de massieve en holle organen” (Yijiang jingyi).
Er werd een aantal verschillende typen ch’i onderscheiden die waren verbonden met verschillende organen en hun functie:
“Zo is men alleen in staat te ruiken als Long-ch’i tot de neus doordringt; kan men de vijf kleuren alleen onderscheiden als Lever-ch’i tot de ogen doordringt; kan men alleen proeven als Hart-ch’i tot de tong doordringt; kan men slechts weten of men voedsel lekker of onsmakelijk vindt als Milt-ch'i tot de mond doordringt” (Zhongyixuee gailun).

In het preklassieke Griekenland dat in de Ilias en de Odyssee wordt geschilderd, werden denken en emotie gezien als een soort ademenergie, thymos genoemd, die in de longen of borst (frenes) was opgeslagen en werd uitgeademd als spreken, boosheid of verdriet. De Grieken blijken zich thymos te hebben voorgesteld als een hete damp, afkomstig uit het lichaam of het bloed, een idee dat misschien was ingegeven door de damp die op een koude dag in de adem te zien is, of door de damp die aan stromend bloed ontsnapt. We hebben dan ook beelden van de geest en de ziel als gedeeltelijk zichtbare damp, zoals de ziel die met de laatste ademtocht van een stervende aan het lichaam ontsnapt. Het moderne woord 'inspiratie' betekent in oorsprong zowel inademing of inblazing als het ontvangen van goddelijke of bovennatuurlijke gedachten en gevoelens. Dit woordgebruik is misschien ontleend aan Homerus, bij wie uitzonderlijke gedachten, gevoelens, moed, kracht, boosheid en dromen vaak afkomstig waren van de goden, die deze 'inbliezen' als thymos, die in de borst/longen werd opgeslagen, voordat de mensen ze uitademden als spraak, gevoel, bewuste handeling, of gedachte.

We dienen er nota van te nemen dat het soort beweging dat als 'zelfgecreëerd' wordt beschouwd, afhangt van de theorie die men hanteert. Thales, die bekendstaat als de 'grootvader' van de Griekse filosofie en wetenschap en die rond 600 v. Chr. actief was, dacht dat een magneet een ziel had omdat hij ijzer kon laten bewegen. Het feit dat alles onder bepaalde omstandigheden bijvoorbeeld wanneer men het laat vallen) op schijnbaar spontane manieren beweegt, was mogelijk de reden voor zijn vermaarde uitspraak: 'Alle dingen zitten vol goden'. Omstreeks 350 v. Chr. Beschreef Aristoteles God als de ‘onbewogen beweger’, de eerste bron van vrije, ongedwongen beweging en verandering. Nu zijn we in het andere uiterste vervallen en geloven veel wetenschappers dat spontane bewegingen of veranderingen
niet bestaan, zelfs niet in mensen (omdat elke verandering, via een of ander mechanisme, door een voorafgaande verandering wordt veroorzaakt), en goden, zielen of geesten dus niet nodig zijn.

Belangrijke aanknopingspunten worden verschaft door de subtiele verschillen tussen wat leeft en wat dood is: beweging, ademhaling, hartslag, trilling, warmte, groei en (minder in het oog springend) bewustzijn. Deze verschillen stonden centraal in de opvatting van leven (en dood) in de meeste oude culturen, en zijn nog altijd belangrijk in onze eigen moderne en wetenschappelijke ideeën over het leven. Alleen een opsomming van de verschillen kan ons echter geen algemene theorie van leven en dood bieden. Waarom is een algemene theorie noodzakelijk? Omdat de dagelijkse confrontatie met de dood aanleiding gaf tot dringende, praktische vragen: kan de dood worden verhinderd? En zo niet, kan hij ongedaan worden gemaakt? Ten slotte, als helemaal niets hielp, de ultieme vragen: was de dood het einde? Wat gebeurde er na de dood met lichaam en geest?
Stel u een holbewoner voor die zich over zijn juist overleden holbewoonster buigt: met gefronst voorhoofd, Rodin-pose en vol vraagtekens borrelt de gedachte in hem op: 'Wat is leven en wat is dood?' Natuurlijk heeft zo'n holbewoner nooit bestaan -we permitteren ons alleen een hulpmiddel in ons verhaal. Maar als onze prehistorische speurder de essentie van het leven mentaal kan vatten, kan hij die misschien aan zijn gezellin teruggeven, en haar opnieuw liefhebben. Hij moet echter opschieten, voordat haar nog warme en beminnelijke lichaam begint te rotten en tot stof vervalt. Om dit kosmische raadsel aan te pakken, moet hij de verschillen tussen zijn geliefde vóór en zijn geliefde na de dood ontwarren. De enige aanwijzingen die hij heeft zijn die welke hij kan zien, horen of voelen; zijn enige bewijsmateriaal is het lichaam. Hij moet het lichaam interpreteren. De betekenis van leven is niet een of andere grootse theorie, maar zit hem in de wat griezelige verschillen tussen een levend en een dood lichaam.