Posts tonen met het label energie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label energie. Alle posts tonen

zondag 8 februari 2009

Wie het kleine niet eert ....


"De grote geünifieerde theorieën omvatten niet de zwaartekracht. Dat doet er niet zo heel erg veel toe want de zwaartekracht is zo'n zwakke wisselwerking dat haar uitwerking meestal kan worden verwaarloosd als we met elementaire deeltjes of atomen te maken hebben. Niettemin betekent het feit dat ze zowel een grote reikwijdte als altijd een aantrekkende werking heeft dat alle zwaartekrachtswerkingen bij elkaar opgeteld kunnen worden. Dus bij een voldoende aantal deeltjes kan de zwaartekracht alle andere wisselwerkingen overheersen. Daarom bepaalt de zwaartekracht ook de evolutie van het heelal als geheel. Zelfs bij objecten met het formaat van sterren kan de aantrekking van de zwaartekracht de overhand krijgen over alle andere krachten en ervoor zorgen dat de ster instort."

[Stephen W. Hawking, A brief history of time]

zaterdag 7 februari 2009

De pijl van de tijd


"Om te overleven moeten mensen voedsel nuttigen, een geordende vorm van energie, dat ze omzetten in warmte, een ongeordende vorm van energie. ...
De natuurwetten maken geen verschil tussen de voorwaartse en de terugwaartse richting van de tijd. Er zijn echter ten minste drie tijdpijlen die het verleden van de toekomst onderscheiden. Dat zijn de thermodynamische pijl, de richting van de tijd waarin de wanorde toeneemt, de psychologische pijl, de richting van de tijd waarin we ons het verleden herinneren maar niet de toekomst, en de kosmologische pijl, de richting van de tijd waarin het heelal uitdijt in plaats van samen te trekken. ... De psychologische pijl is in wezen dezelfde als de thermodynamische pijl ... dat wij waarnemen dat de thermodynamische pijl overeenstemt met de kosmologische pijl komt vervolgens doordat intelligente wezens alleen in de uitdijingsfase kunnen bestaan. [...]
De vooruitgang die de mensheid heeft geboekt in het begrijpen van het heelal heeft een klein geordend hoekje in een steeds wanordelijker heelal ingericht. Wanneer u zich ieder woord in dit boek herinnert, heeft uw geheugen ongeveer twee miljoen stukjes informatie opgenomen: de orde in uw hersenen is dan met twee miljoen eenheden toegenomen. Maar tijdens het lezen van het boek heeft u ten minste duizend calorieën geordende energie, in de vorm van voedsel, omgezet in ongeordende energie, in de vorm van warmte, die u aan de lucht om u heen afstaat door warmte-uitwisseling en transpiratie. Dit vergroot de wanorde van het heelal met ongeveer 2 maal 1025 eenheden. Dat is 1019 keer de toename van de orde in uw hersenen – en dat alleen in het geval dat u zich alles in dit boek herinnert.

[Stephen W. Hawking, A brief history of time]

maandag 26 januari 2009

Energie (8) Geest


Onze holbewoner is nu vertwijfeld. Hij heeft zijn gezellin zien sterven: eerst hield ze op met bewegen, toen hield ze op met ademen, stopten haar hart- en polsslag, daarna trok de warmte weg uit haar lichaam, dat vervolgens in verval begon te raken, waarna slechts het gebeente en ten slotte stof overbleven. Terwijl hij dit proces observeerde, vormde hij zich nieuwe ideeën over het leven, die echter volslagen nutteloos waren in de feitelijke omgang met de dood. Vele duizenden jaren later verkeren wij in dezelfde positie: hoewel we veel meer weten over de dood, zijn we absoluut niet in staat hem ongedaan te maken. Laten we echter terugkeren naar onze holbewoner, die nu in gepeins verzonken is. Veel van de verschillen tussen de levenden en de doden zijn zichtbaar en duidelijk, maar het verschil dat misschien het belangrijkst is, is noch zichtbaar, noch duidelijk: wat gebeurt er met de geest? Wat gebeurt er bij ons overlijden met onze waarneming, gedachten, gevoelens en wil? Gedachten, gevoelens en waarnemingen zijn niet zichtbaar in andere mensen, zelfs niet als we hun lichaam opensnijden, en er zijn geen duidelijke mechanismen die ze in het lichaam creëren. De holbewoner kon de gedachten en gevoelens van zijn gezellin niet zien toen ze nog leefde, zodat het voorstelbaar is dat ze, eenmaal dood, nog steeds in staat is ze te hebben, hoewel ze onzichtbaar voor hem blijven. Misschien komt de geest of de ziel bij de geboorte het lichaam binnen, om het bij het overlijden weer te verlaten. Bijgevolg kan de geest van de holbewoner nog in leven zijn, hoewel haar lichaam dood is. Deze gedachte schenkt de holbewoner misschien niet direct veel verlichting, maar impliceert dat, wanneer hij zelf sterft, zijn geest misschien in een of andere vorm voortbestaat en hem mogelijk zelfs in staat stelt zijn gezellin weer te ontmoeten.

Verschillende culturen hadden zeer verschillende ideeën over de vraag of en hoe de geest zich bij de dood van het lichaam zou kunnen losmaken. De oude Egyptenaren, Indiërs en Grieken geloofden echter dat de geest de dood kon overleven. Het ligt voor de hand dat deze overtuiging gevolgen heeft voor de manier waarop we de verbanden tussen geest, lichaam en stof in het algemeen zien. Als de geest zich bij de dood van het lichaam kan losmaken en als onzichtbare, maar actieve entiteit kan voortbestaan, dan zouden we kunnen concluderen dat het leven uit twee aparte entiteiten bestaat: een onzichtbare actieve geest (of ziel) die gebruik maakt van een passief stoffelijk lichaam. Bovendien zouden alle andere entiteiten ter wereld ook uit een dergelijke combinatie van geest en stof bestaan. Dit dualistische onderscheid tussen actieve geest (of ziel) en passieve materie is een voorloper van het onderscheid tussen energie en materie dat ervoor in de plaats komt: de moderne opvatting van energie heeft de geesten als voorgangers.

In vroegere verklaringen van de wereld werden aan objecten bedoelingen of verlangens toegeschreven, en werden gebeurtenissen uitgelegd in termen van de verlangens van geesten en goden. Dit type verklaring (de zogenoemde ‘teleologische’ of ‘intentionele’) is een afspiegeling van het type dat we gebruiken om gedrag van andere mensen te verklaren. Als iemand me een klap met een honkbalknuppel geeft, zou ik het gedrag kunnen verklaren door het toe te schrijven aan de boosheid van de aanvaller of aan zijn bedoeling me te beroven. Op dezelfde manier zou onze holbewoner, als hij een steen op zijn hoofd kreeg, dat misschien als boosheid of bedoeling van een geest, god of misschien wel de steen zelf hebben gezien. Tegenwoordig zouden we een 'mechanistische' verklaring voor zo’n gebeurtenis zoeken (de steen viel bijvoorbeeld uit een gebouw), in plaats van slechte bedoelingen aan de steen of gebeurtenis zelf toe te schrijven. In de oude wereld konden betrekkelijk weinig echte 'ongelukken' plaatsvinden, omdat men meende dat de meeste gebeurtenissen door iemand, iets of een bepaalde god waren bedoeld. Zo werd vrijwel alles als betekenisvol gezien; in volstrekte tegenstelling daarmee worden tegenwoordig de meeste fysische gebeurtenissen (zoals het botsen van atomen of het uitdijen van het heelal) als intrinsiek betekenisloos en toevallig gezien, tenzij er menselijke bedoelingen bij betrokken zijn. En zelfs wanneer het om mensen gaat, geven wetenschappers vaak de voorkeur aan mechanistische verklaringen. De wetenschapper herleidt die klap op mijn hoofd met een honkbalknuppel bijvoorbeeld tot de effecten van de opvoeding van de aanvaller op biochemische processen in zijn hersenen, in plaats van tot een vooropgezette intentie om me te beroven.

Moderne wetenschap berust eerder op mechanistische dan teleologische verklaringen, en maakt nadrukkelijk onderscheid tussen passieve materie en de onzichtbare geest. De wetenschappelijke vooruitgang heeft tot een langzame terugtocht van intentie (en geest) uit de wereld geleid: eerst uit de levenloze materie, daarna uit het lichaam naar de hersenen, terwijl de laatste tijd door zowel filosofen als neuro-wetenschappers pogingen zijn gedaan om intentie uit de hersenen zelf te verbannen. Toch prefereren we als individu intentionele of antropomorfe verklaringen van de wereld boven kille mechanistische verklaringen. We denken liever dat mensen en dieren dingen doen omdat ze het willen dan omdat hun hersenen hen dwingen deze dingen te doen. We denken graag dat de wereld en het universum betekenis hebben, in plaats van dat het zinloze toevalligheden zijn. Dat de wetenschap mensen van zich vervreemdt is deels toe te schrijven aan haar verwerping van intentionele verklaringen; en veel van de aantrekkingskracht van godsdienst en literatuur zou kunnen samenhangen met hun royale gebruik van antropomorfisme en intentionele verklaringen. Bovendien kan er best een goede mechanistische verklaring zijn voor de reden waarom we de intentionele verklaring prefereren, namelijk omdat die in onze hersenen gestructureerd is. Recent psychologisch onderzoek wijst erop dat we het vermogen om aan anderen bedoelingen toe te schrijven op driejarige leeftijd ontwikkelen, en dat kinderen die dit vermogen niet ontwikkelen (bijvoorbeeld door een hersendefect) veel meer kans hebben om autistisch te worden en niet tot functionele interactie te komen. Onze voorkeur voor intentionele verklaring van andere mensen en de wereld vloeit voort uit het feit dat onze hersenen zo functioneren, vermoedelijk omdat die wijze van verklaren tijdens de evolutie bevorderlijk was voor overleving. Gedurende de evolutie van de wetenschap is echter gebleken dat de intentionele verklaring, in vergelijking met de mechanistische verklaring, betrekkelijk weinig succes heeft in het voorspellen van het gedrag van de wereld.

De betekenis van intentionaliteit voor energie is dat het concept energie zich deels heeft ontwikkeld om de intentionele verklaring te vervangen. Energie is in de plaats gekomen van goden, geesten en levenloze krachten als bron van alle beweging en verandering in het universum. Fundamentele theorieën en concepten (zoals geest of energie) zijn echter geen etiketten die men de wereld kan opplakken zonder hem te vervormen. Ze zijn eerder een soort gekleurde bril waardoor we de wereld kunnen zien en interpreteren. Als we bijziend (of kortzichtig) zijn, kunnen we de wereld zonder bril (of theorie) misschien helemaal niet zien. Of misschien zit de bril vast aan ons hoofd (zoals het geval was bij Dorothy en haar gezelschap in The Wizzard of Oz), of zit hij zelfs in onze hersenen, zodat het bijna onmogelijk is om zonder bril te kijken. Het begrip energie is een van de fundamentele ideeën waardoor we de wereld tegenwoordig waarnemen. En we hebben al gezien dat het begrip energie zijn oorsprong vindt in nog fundamenteler ideeën over leven, beweging en geest.

Energie (7) Voedsel


Voor onze holbewoner ziet het er intussen somber uit. Het lichaam van de holbewoonster begint tot ontbinding over te gaan. Eerst rot het vlees weg en blijft het geraamte over, waarna het gebeente zelf tot stof uiteenvalt. Hoewel het proces langzaam verloopt, zijn de gevolgen dramatisch: we beginnen met een in hoge mate geordend menselijk lichaam en eindigen met een hoop stof, dat door de grond wordt opgenomen. Er is duidelijk weinig hoop dat dit proces kan worden teruggedraaid, en daarna is er geen plek meer over waarin de ziel nog kan schuilen. Dit is duidelijk de grote catastrofe van het mens-zijn. Veel culturen hebben zich kolossale inspanningen getroost om dit probleem te voorkomen of te omzeilen. De oude Egyptenaren waren het fanatiekst en gebruikten mummificatie, piramiden, graftomben, gewijde voorwerpen, tempels, een omvangrijke priesterstand, uitgebreide literatuur en mythologie om een complete parallelle wereld na de dood op te roepen. In Egypte werden lichamen aanvankelijk begraven in droog zand, waarin ze wel duizend jaar goed konden blijven, maar wel verschrompelden en uitdroogden. Latere toepassing van stenen doodskisten leidde tot verdwijning van het vlees – dat door de steen zou zijn opgegeten. Dit is de betekenis van het in oorsprong Griekse woord 'sarcofaag' ('vleesetend') dat misschien een prehistorisch denkbeeld uitdrukt dat lichaam en ziel van de dode de steen konden binnendringen en erin konden voortbestaan. De lichamen werden in werkelijkheid opgegegeten door micro-organismen die te klein waren om te zien. De Egyptenaren ontwikkelden mummificatie om dit proces te voorkomen, hoewel ze natuurlijk geen idee hadden van het bestaan van bacteriën. Mummificatie slaagde echter nooit helemaal, en als laatste toevlucht omzeilden zowel de Egyptenaren als latere culturen het probleem door de voorkeur te geven aan het idee dat de geest of ziel zich bij overlijden van het lichaam kon losmaken, en hetzij zelfstandig kon voortleven (in de hemel of in een andere wereld), hetzij in andere objecten (zoals beelden), hetzij in een ander lichaam (reïncarnatie).

Na het verval van het vlees blijven de beenderen over. Sommige culturen geloofden dat de beenderen de wezenlijke kern van de mens voorstelden, en het vlees er de vergankelijke bekleding van was. De beenderen bevatten een essentieel vocht, dat we nu zouden aanduiden als het merg in onze grote botten, het ruggenmerg in de ruggengraat, de hersenen in de schedel, en het hersenvocht dat zich overal in de holten van hersenen en ruggengraat bevindt. Al deze 'beenderen' omringen – alsof ze het willen beschermen – een grijsachtig-wit geleiachtig materiaal of vocht, dat in het oude Griekenland werd beschouwd als de oorsprong van sperma, dat ook een gebroken wit, geleiachtig vocht is. Men meende dus dat sperma afkomstig was van deze levensgelei, een soort scheppend element, die hersenen, ruggenmerg en beenmerg vormde. De Romeinen geloofden bijgevolg dat de moeheid van mannen na orgasme en ejaculatie te wijten was aan uitputting van scheppende kracht in heel het lichaam. De mythe dat masturbatie blind maakt vindt misschien zijn oorsprong in deze oude opvatting dat het sperma deels aan de hersenen wordt onttrokken. In Griekse legenden werden goden en godinnen rechtstreeks uit het hoofd (Athene) of dijbeen (Dionysus) van Zeus geboren, omdat men meende dat zich daar de scheppende kracht bevond. Het geloof dat beenderen de essentiële kern van de mens waren, omdat ze het voortplantingsvermogen van het individu omhulden, kan de drijfveer zijn geweest voor het gebruik, in veel culturen, om het gebeente van voorouders te bewaren.

Het verval van het lichaam na de dood lijkt de tegenhanger van zijn groei tijdens het leven. De groei van het lichaam is afhankelijk van voedsel, en het is maar al te duidelijk dat mensen, wanneer ze ophouden met eten, niet meer groeien, verschrompelen en vervolgens sterven. In voedsel of in eten zat duidelijk iets wat verband hield met leven, en deze samenhang was des te sterker omdat voedsel uit pasgestorven dieren of planten bestond. Men meende dan ook dat voedsel hetzij een ziel, hetzij zielenvoedsel bevatte. De meeste oude culturen kenden religieuze riten waarbij mensen- of dierenoffers en het eten van het vlees betrokken waren. Vaak werd het voedsel gezegend of anderszins getransformeerd, zodat een god of ziel het kon binnendringen en in het lichaam van de eter kon worden opgenomen. De christelijke mis is deels ontleend aan oudere orfische en bacchische rituelen, waarbij voedsel magisch werd omgezet in lichaam en ziel van een god, die dan toegang kreeg tot lichaam en ziel van de etende persoon. Een vorm van zo'n ritueel wordt beschreven in Bacchanten van Euripides, waarin de gewoonlijk zo fatsoenlijke dames uit de hogere kringen van Athene in extase raken terwijl ze jagen op een wild dier, dat de god Dionysus voorstelt, het aan stukken scheuren en het rauwe vlees verslinden. Dit was een manier om 'enthousiasme' te verwerven, wat in het Grieks het binnentreden van een god in de persoon betekent. Enthousiasme is dus een soort mentale energie en deze rituelen waren een manier om die te krijgen.

Het denkbeeld dat voedsel in het lichaam wordt opgenomen – dat de essentie van het voedsel, eenmaal gegeten, de essentie van het lichaam wordt – dateert van vóór het klassieke Griekenland, maar hoe deze transformatie precies in zijn werk zou kunnen gaan, werd pas uitgewerkt toen de Grieken verschillende schema's ontwikkelden. Eén idee was dat voedsel werd afgebroken en in bloed werd omgezet, en vervolgens op verschillende manieren stolde (zoals bij bloedstolling) tot de organen van het lichaam. Hoewel dit de groei van kinderen zou kunnen verklaren, bood het geen echte verklaring voor het feit dat volwassenen, die niet groeien, grote hoeveelheden voedsel nodig hebben. Later, in de zesde eeuw v. Chr., werd door Alcmaeon het idee van 'dynamische bestendigheid' ontwikkeld, dat inhield dat de structuur van het lichaam voortdurend werd afgebroken en vervangen door nieuwe structuren en stoffen die aan voedsel werden ontleend. Dit zou het feit verklaren dat het lichaam na de dood, wanneer het niet meer kan eten, langzaam vergaat. Het algemene denkbeeld dat materiële dingen bestaan uit kleinere componenten, die anders kunnen worden geordend en zo alle verschillende vormen of structuren van dingen (zoals voedsel of het lichaam) produceren, was een uiterst belangrijk en vruchtbaar idee. Het werd vooral ontwikkeld door Griekse filosofen zoals Plato en Democritus, en leidde tot veel speculatie over wat die enkelvoudige componenten zouden kunnen zijn, bijvoorbeeld water, vuur, lucht of aarde, of verschillende vormen van atomen.

Bij ziekte en gebrek aan voeding neemt het vet in het lichaam af en in tijden van gezondheid en overvloed neemt het toe. Tot voor vrij kort werd vet vaak met gezondheid en rijkdom in verband gebracht. Sommige Andes-indianen associëren vet nog altijd met de ziel, zodat volgens hen, wanneer iemand als gevolg van chronische ziekte of gebrek aan voeding 'wegkwijnt', ook zijn of haar ziel wegkwijnt, waarbij vaak wordt gedacht dat die door een tovenaar wordt gestolen. Vet, bloed en lucht zijn de elementaire lichaamsvochten in de traditionele fysiologie van de Andesvolken, en vet is het energiebeginsel dat vanuit het hart wordt verspreid via een stelsel van kanalen en rivieren dat een afspiegeling is van de hydraulica van de Andes. Deze van verbeeldingskracht getuigende fysiologie is inderdaad deels gebaseerd op een analogie tussen het lichaam en de bergen en rivieren, zodat het hoofd vergelijkbaar is met de bergtoppen die in de wolken verdwijnen, en de benen de rivierdalen zijn. Ziekten die in verband worden gebracht met bepaalde delen van het lichaam kunnen worden behandeld met offerandes van cacao, bloed en vet in aardeheiligdommen die zich op geschikte plekken in de bergen bevinden. In het hedendaagse Westen, waar voedsel in overvloed is en gebreksziekten zeldzaam zijn, heeft dik zijn de bijbetekenis van ongezond en arm zijn. Maar natuurlijk was een mollig figuur slechts een paar honderd jaar geleden reden tot vreugde, en de broodmagere gestalte die nu de voorkeur geniet voorwerp van vrees en medelijden.

Energie (6) Hart en warmte


In de meeste oude culturen werden het hart en de hartslag in verband gebracht met de ziel of geest. Het hart klopt van geboorte tot dood ritmisch en ononderbroken in het middelpunt van het lichaam. Het klopt sneller bij sterke emoties en bij inspanning. Het klopt langzamer bij veroudering en in rust. Het stoppen van de hartslag is synoniem met de dood. Het hart is het enige inwendige orgaan dat spontane beweging kent, en kan kloppend uit het lichaam worden genomen. Het is verbonden met de pulsering en beweging van het bloed. In Egypte bevatte het hart de levenskracht en de bron van goed en kwaad. Volgens het Dodenboek werd het hart van elk mens na de dood op een weegschaal tegen een veer afgewogen om de verhouding tussen goed en kwaad, en dus het lot van de ziel, te bepalen. In veel Indiase en Chinese talen zijn de woorden voor hart en geest min of meer synoniem. De tolteken en azteken van het oude Mexico rukten het nog kloppende hart uit hun menselijke offers om het aan hun zonnegod te offeren. De meeste oude culturen situeerden bewustzijn en emoties in het hart (of in de borst/longen). Interessant is dat de ziel ('psyche'), die na de dood voortbestond en nieuw leven voortbracht, vaak elders werd gesitueerd, meestal in de hersenen. Veel oude culturen hadden echter niet zo'n sterk dualistische opvatting van een scheiding tussen geest en lichaam. Het is dan ook niet altijd juist om over geest en lichaam afzonderlijk te spreken, of om de geest in een bepaald orgaan in het lichaam te situeren.

Oude culturen maakten vaak geen onderscheid tussen de letterlijke (of concrete) en metaforische of figuurlijke (of abstracte) toepassing van een begrip – het concept metafoor is pas in de vierde eeuw v.Chr. door Aristoteles bedacht. De oude Grieken gebruikten een woord zoals psyche dus om zowel naar een substantie in het lichaam als naar het gedrag van de ziel te verwijzen. Men is geneigd te zeggen dat de oude Grieken en andere vroege culturen letterlijker waren ingesteld en hun denken minder abstract was. In het moderne taalgebruik wordt echter evenmin veel onderscheid gemaakt tussen letterlijk en figuurlijk gebruik van woorden. Het woord 'energie' wordt algemeen gebezigd om allerlei dingen te beschrijven, van de stroom die via elektriciteitsdraad wordt geleverd tot de intensiteit van een artistieke prestatie. Tevens blijkt die letterlijke instelling uit de neiging om een eigenschap van een object te verklaren als het gevolg van een afzonderlijke substantie in het object (een onfortuinlijke neiging die bekendstaat als 'verstoffelijking'.) Dr. Pangloss verklaarde in Voltaires Candide in slaap vallen bijvoorbeeld als voortvloeiend uit een 'slaapbeginsel' in lichaam of geest. Zo is ook 'leven', dat in essentie een toestand of vorm van zijn is, in termen van stof verklaard: leven of vis viva (de levenskracht). Dingen met kracht of hartstocht doen is verklaard in termen van het bezitten van 'energie', waarbij de energie verschaffende substantie in lichaam of geest rondwervelt. Een eigenschap of gedrag als 'ding' beschouwen kan in sommige gevallen nuttig zijn, maar er zijn meer wetenschappelijke of intellectuele vorderingen gemaakt door 'dingen' in termen van processen uit te leggen. De meeste wetenschappers denken dus niet langer aan leven of energie als dingen die door afzonderlijke stoffen te verklaren zijn. Het zijn eerder specifieke ordeningen of processen van materie. In het normale spraakgebruik hebben leven en energie nog altijd een combinatie van letterlijke en figuurlijke betekenissen, die deels betekenissen uit veel vroeger tijden weerspiegelen.

In oude culturen werd het kloppen van het hart geassocieerd met het bewegen van bloed in het lichaam, zoals bleek uit de polsslag en de ritmische manier waarop bloed uit doorgesneden slagaders gutste. De polsslag werd in de geneeskunde van het oude Griekenland, India en China gebruikt voor diagnose van gezondheid en ziekte, kracht en dood. De felle kleur van bloed, de dramatische manier waarop het uit wonden gutst, zijn vermogen om, eenmaal buiten het lichaam, snel te stollen, en het feit dat bloedverlies met de dood samenhing, droegen allemaal bij aan het idee dat het nauw verbonden was met leven. In sommige culturen werd bloed in feite als de levenssubstantie zelf gezien. Er zijn veel begraafplaatsen uit de steentijd ontdekt waarin de beenderen waren bedekt met rode oker, die waarschijnlijk bloed voorstelde, wat erop wijst dat het verband tussen bloed en leven (of dood) al zeer lang wordt gelegd. Het drinken van bloed, letterlijk of symbolisch (zoals in de christelijke eucharistie), was een manier om de ziel/energie van mens, dier of god op de drinker over te dragen.

Onze holbewoner heeft nu een paar theorieën, maar zijn holbewoonster schijnt er weinig mee op te schieten. Ze is koud geworden. De holbewoner moet nu nog een artikel toevoegen aan zijn lijst van verschillen tussen de levenden en de doden: lichaamswarmte. De lichaamstemperatuur van levende zoogdieren en vogels is normaal hoger dan de temperatuur van hun omgeving, en koelt bij de dood tot die van hun omgeving af. Als onze lichaamstemperatuur meer dan een paar graden daalt, bijvoorbeeld wanneer we in ijskoud water vallen, dan sterven we al snel. Warmte is duidelijk op een belangrijke manier met leven verbonden. In preïndustriële tijden waren dieren, vuur en de zon de enige significante warmteproducenten. Aristoteles beschouwde de levenskracht bijvoorbeeld deels als een soort vuur in het lichaam. En het verband dat tussen warmte (en beweging) en de levenskracht werd gelegd verklaart mogelijk het wijdverbreide geloof dat de zon een god was, en het gebruik van vuur bij religieuze rituelen. In feite is er nog een aantal belangrijke overeenkomsten tussen leven en vuur: beide worden voortgebracht door verbranding van organisch materiaal (brandstof/voedsel) met lucht (aangevoerd door blaasbalg of ademhaling), resulterend in warmte, beweging en als bijproduct afval (as, fecaliën). Deze analogie was zowel in het oude Griekenland als in veel recenter tijden belangrijk. Ze was immers het sleutelconcept in het ontstaan van de moderne wetenschappelijke opvatting van fysieke energie, hoewel de theorie pas echt kon worden toegepast toen Lavoisier in de achttiende eeuw chemische denkbeelden over verbranding ontwikkelde.

zondag 25 januari 2009

Energie (5) Prana


Indiase denkbeelden over ademenergie – prana – zijn mogelijk van vroeger datum dan die van Europa en China, en kunnen er de inspiratie voor zijn geweest. Prana bevat, – vergelijk ch’i, – de stam an-, ademen. Het is de wind, die, als levensadem van de kosmos, de moessonregens en de onweders brengt, en leven geeft aan planten en dieren, en prāna wordt genoemd. Het is ook, op microkosmisch vlak, de levensadem in de mens, die zijn leven lang doorgaat. Wind en adem worden als gelijkaardig beschouwd. Maar het kosmische prana wordt geïdentificeerd met het Absolute. Prana is inderdaad adem, maar niet in de beperkte betekenis van inademing en uitademing. Het wordt beschouwd als een energie die het ganse lichaam doordringt. Maar het is duidelijk dat deze energie ook een materieel aspect heeft, dat lucht is. En deze lucht maakt natuurlijk deel uit van de kosmische lucht (vāyu). Aangezien de kosmische lucht slechts kan geobserveerd worden in beweging – zoals wind –, is lichamelijke lucht evenmin een statische bron van energie, maar het materiele aspect van een fysiologisch proces. Prana is inderdaad bio-energie, maar eveneens kosmische energie. De levenskracht waarvan in de yoga wordt ervaren dat ze beheersbaar is, wordt beschouwd als het persoonlijke zelf, en soms gelijkgesteld aan ātman – dat etymologisch eveneens “adem” betekent. Prana is dus energie, maar niet in de abstracte zin van de fysica. Het is bio-energie in die zin dat het de ritmische kracht is die het leven in stand houdt.

Volgens Hindoes bestaat naast het fysieke lichaam een astraallichaam, dat dezelfde ruimte inneemt als het stoffelijk lichaam en ermee verbonden is door een koord dat bij overlijden breekt. De levensenergie, prana, stroomt door dit astrale lichaam via duizenden kanalen – nadi’s – die zeven energiecentra of wielen van licht, chakra’s genaamd, met elkaar verbinden. Gezondheid en bewustzijn kunnen worden beheerst door het stromen van prana te reguleren met behulp van pranayama (ademhalingsoefeningen), asana's (yogahoudingen) en meditatie. Normaal gesproken beweegt het merendeel van onze prana zich door de nadi's Ida en Pingala, die door respectievelijk het linker- en, het rechterneusgat lopen en respectievelijk verkoelende maanenergie en verwarmende zonneenergie bevatten. Yogi's beweren hun bewustzijnsniveau te kunnen beheersen door hun adem, en dus het stromen van prana, minutieus te reguleren door diepte en ritme en gebruik van de neusgaten in hun ademhaling te variëren. Bij een bepaalde vorm van yoga, 'koendalini-yoga', past de yogi ademhalingstechnieken en meditatie toe om de scheppende vrouwelijke energie (koendalini) te mobiliseren die in alle mensen – mannen en vrouwen – sluimerend aanwezig is. Deze energie wordt gesymboliseerd door een slapende slang die, ineengerold rond de onderste chakra, onderaan de ruggengraat ligt. De yogi probeert innerlijke warmte te creëren, waardoor de slangenkracht uit zijn slaap ontwaakt, via de centrale nadi langs de ruggengraat oprijst, op zijn weg elke chakra ,doorboort en hun. energie in zich opneemt, en zich ten slotte verenigt met de mannelijke energie van de kruinchakra aan de bovenkant van het hoofd. Koendalini kan worden ervaren als een elektrische lading die in een flits van onder naar boven door de ruggengraat schiet, en bij succes resulteert in een hogere bewustzijnstoestand waarin alle illusies zijn opgeheven.

Energie (4) Ch'i


Van het begrip ch’i bestaan zeer uiteenlopende vertalingen: Needham vertaalt “pneuma, subtle matter, matter-energy”; Fung Yu-lan: “ether, matter”; O. Graf: “Materie, Energie, Prinzip der Stofflichkeit, geg. Li, der ‘forma’, dem Organisationsprinzip”; Cl. Larre: “souffle”; Le Blanc: “matter-energy”; Graham laat het woord onvertaald, maar omschrijft het als “the activating fluids in the atmosphere and the body”; M. Übelhör: “materielle Grundsubstanz und Energie aller Dinge”; W.T. Chan: “breath, ether, material force, vital force”, enz. Het gemeenschappelijke in al deze “vertalingen” is dat ze materie en energie in één begrip willen samenbrengen. De etymologische oorsprong van het karakter ch’i is: de (warme) damp , die uit de rijst opstijgt, duidelijk een symbool voor iets dat materieel nauwelijks te grijpen is, maar anderzijds met energie geladen is. Eigenlijk gaat het hier om een Leibniziaanse materie, die een innerlijke streving bevat.

Om tot een juiste interpretatie van het Chinese concept ch’i, energie te komen, dienen we van het volgende uit te gaan: er is een metafysische ch’i, die begrepen kan worden als de universele kracht of de universele adem. In een dynamisch-organische wijze van denken, is adem de meest klaarblijkelijke uitdrukking van een mysterieuze kracht. We zien deze kracht werken (en ademen) op een macrokosmisch niveau, bijvoorbeeld als wind. Het is duidelijk dat wind inderdaad lucht is, maar het is veel meer: het is bewegende lucht, en deze beweging wordt veroorzaakt door een innerlijke kracht. Lucht is het externe statisch aspect van wind, ch’i dynamiseert lucht en maakt het ademen. Brengen we deze idee op het menselijk niveau, dan kunnen we stellen dat ch’i zich veruitwendigt in adem. Dit betekent dat adem inderdaad ch’i is, maar ch’i is meer dan adem, het is de levenskracht alsdusdanig. We kunnen besluiten dat ch’i een organische, spontane kracht is die zich zelf het duidelijkst uitdrukt op het kosmisch niveau als kosmische adem, als wind; en op het menselijk niveau, zijn bestaan het duidelijkst bewijzend in de adem. In een organisch wereldbeeld is het normaal dat ‘hemel en aarde’ beschouwd worden als een organisme, dat een levenskracht bezit, en daaruitvolgend ademt.

Wanneer we ch’i vertalen als energie, moeten we voor ogen houden dat alles “ergeia” is, vermits de wereld een wordingsproces is. In het zijnsdenken wordt “ergeia” beschouwd als verstoring van het eeuwig zijn, en vraagt dus om een kracht, die deze “ergeia” doet gebeuren. Maar in een wordingswereld is alles in eeuwige beweging, en bestaat er geen materieel zijnde dat door een kracht in beweging wordt gebracht, maar is de materie zelf energie. Vandaar dat een vertaling als “materie-energie” aanvaardbaar is maar in feite is het een “vertaling”, die ch’i opsplitst in twee constituenten die tot het westers denken behoren. In China wordt materie beschouwd als gecondenseerde energie, zoa1s bij Wang Chung: “As water turns into ice, so the ch'i crystallise to form the human body.”

In China stond ademenergie bekend als ch’i (uitgesproken als tsji en soms geschreven als qi), en ch’i was een fundamentele component van het universum. De Hwangdi Neijing stelt:

'Dat wat van meet af aan in de hemel was is ch’i; op aarde wordt het zichtbaar als vorm; ch’i en vorm werken op elkaar in en brengen zo de ontelbare dingen voort.”

Er bestaan veel soorten ch’i, die soms aards en stoffelijk, bij andere gelegenheden hemels en onstoffelijk zijn, en haar effect kan men zien in de groei van een plant, in het denkvermogen, of in de energie die processen in werking stelt. Leven komt voort uit een accumulatie van ch’i; dood uit haar verdwijning. Ch’i betekent ook 'lucht', maar lucht werd als onstoffelijke lege ruimte gezien; ch’i is dus geen stoffelijke substantie, maar eerder een proces, kracht of energie. In het lichaam wordt ch’i echte ch’i genoemd, en deze wordt zowel uit lucht verkregen door de ademhaling als uit voedsel en water door consumptie. De Hwangdi Neijing verklaart:

“Echte ch’i is een combinatie van wat men van de hemel ontvangt en de ch’i uit water en voedsel. Ze doordringt het hele lichaam.”

Echte ch’i circuleert door het lichaam via twaalf hoofdbanen of meridianen. Deze meridianen zijn aan de buitenzijde van het lichaam in kaart gebracht, zodat de energiestromen met acupunctuur kunnen worden gereguleerd, hoewel de meridianen niet kunnen worden vereenzelvigd met enige anatomische structuren in het lichaam. Elke meridiaan is echter ook met een bepaald orgaan en een bepaalde functie verbonden, en de ch’i-stroom langs de meridiaan vervult die functie via de transformerende werking van ch’i. Zoals de Chinezen het formuleren:

“De meridianen zijn de kanalen voor de transformerende werking van ch’i in de massieve en holle organen” (Yijiang jingyi).

Er werd een aantal verschillende typen ch’i onderscheiden die waren verbonden met verschillende organen en hun functie:

“Zo is men alleen in staat te ruiken als Long-ch’i tot de neus doordringt; kan men de vijf kleuren alleen onderscheiden als Lever-ch’i tot de ogen doordringt; kan men alleen proeven als Hart-ch’i tot de tong doordringt; kan men slechts weten of men voedsel lekker of onsmakelijk vindt als Milt-ch'i tot de mond doordringt” (Zhongyixuee gailun).

De Chinezen meenden dat ch’i door de meridianen stroomde zoals water door een rivierbedding. De meridianen en hun kleinere vertakkingen bevloeiden het hele lichaam, zoals een rivier en zijn kanalen de velden in een dal bevloeien. Als in het lichaam ziekte ontstond, werden deze rivieren van leven erdoor beïnvloed, zodat er hetzij helemaal geen water stroomde (gebrek aan ch’i), hetzij de rivier op een bepaald punt gestremd was, met te veel water en overstroming vóór de stremming (zwelling, ophoping van ch’i) en te weinig water achter de stremming (wegkwijnen, gebrek aan ch’i.) Men meende dat de acupunctuurnaald de stremming verwijderde – rechtstreeks of door de kracht van de stroom op te voeren. Om een lang en vitaal leven te leiden werden mensen aangemoedigd hun ch’i te koesteren. Dat konden ze doen door op elk gebied matigheid te betrachten, door overdaad of tekort in voeding, lichaamsbeweging of seks te vermijden. Maar ook door externe bronnen van 'slechte' ch’i, zoals koude, vochtigheid, vrees, zelfs seks met geesten, te vermijden.

Energie (3) ademhaling - pneuma


In de meeste vroege culturen stond de ademhaling centraal in de ideeën over leven en energie: In Egypte werd de adem in verband gebracht met ka, een ziel die zich na de dood van het lichaam losmaakte. Adem-energie stond in het oude China bekend als ch'i, in Griekenland als thymos en later pneuma en in India als prana, hoewel elk van deze uitdrukkingen in de betreffende cultuur weer iets anders betekende. De eerste intrede van de adem in het lichaam en het laatste uitblazen ervan waren synoniem met leven en dood. Volgens de Griekse legende werd de eerste mens door Prometheus uit aarde en water gevormd, maar werden ziel en leven hem ingeblazen door de godin Athene. Als de ademhaling stopt, leidt dat tot verlies van bewustzijn en ten slotte tot de dood, en het moet dus altijd duidelijk zijn geweest dat leven direct afhangt van ademhaling. Ademhaling is echter met veel meer dingen verbonden dan alleen met in leven blijven. Veranderingen in adem en ademhaling treden ook in de meeste emotionele toestanden op, wat te herkennen is in zinsneden zoals: 'ze benam hem de adem'; 'hijgend van geestdrift'; 'naar adem snakken van verbazing'; 'snikken van verdriet'; en 'geeuwen van verveling'. Deze emoties gaan gepaard met geluiden en borstbewegingen, wat ons op het idee zou kunnen brengen dat alle emoties in de borst gevestigd zijn en in geluid worden uitgedrukt (zoals in de zin 'stort je hart maar eens uit’). We kunnen ook denken dat spreken zelf een soort adem is, omdat woorden door de adem uit de borst lijken te worden gedragen. In pre-alfabetische en semi-alfabetische culturen werd denken vaak als een vorm van spreken beschouwd, misschien omdat denken in veel gevallen hardop gebeurde. Omdat spreken en uitingen van emotie met ademhaling verbonden waren, konden denken en emoties dus in verband worden gebracht met de adem in de borst.

In het preklassieke Griekenland dat in de Ilias en de Odyssee wordt geschilderd, werden denken en emotie gezien als een soort ademenergie, thymos genoemd, die in de longen of borst (frenes) was opgeslagen en werd uitgeademd als spreken, boosheid of verdriet. De Grieken blijken zich thymos te hebben voorgesteld als een hete damp, afkomstig uit het lichaam of het bloed, een idee dat misschien was ingegeven door de damp die op een koude dag in de adem te zien is, of door de damp die aan stromend bloed ontsnapt. We hebben dan ook beelden van de geest en de ziel als gedeeltelijk zichtbare damp, zoals de ziel die met de laatste ademtocht van een stervende aan het lichaam ontsnapt. Het moderne woord 'inspiratie' betekent in oorsprong zowel inademing of inblazing als het ontvangen van goddelijke of bovennatuurlijke gedachten en gevoelens. Dit woordgebruik is misschien ontleend aan Homerus, bij wie uitzonderlijke gedachten, gevoelens, moed, kracht, boosheid en dromen vaak afkomstig waren van de goden, die deze 'inbliezen' als thymos, die in de borst/longen werd opgeslagen, voordat de mensen ze uitademden als spraak, gevoel, bewuste handeling, of gedachte.

De adem kan best nog op een andere manier belangrijk zijn geweest om zich een voorstelling te vormen van leven. Hij is (doorgaans) onzichtbaar, maar wanneer we hard blazen kan onze adem dingen in beweging brengen en kunnen we hem in onze handen voelen. In dit opzicht is hij vergelijkbaar met de wind, die vaak als de adem en wil van goden werd opgevat. Adem was dus een onzichtbare bron van beweging buiten het lichaam, en zou daarom kunnen dienen als onzichtbare bron van beweging in het lichaam, om ledematen te bewegen en de levensverrichtingen uit te voeren.

Pneuma (πνευμα) is afgeleid van πνέω pneoo, blazen, en zijn oudste betekenis is “wind”, niet alleen als bewegende materie (lucht), maar ook als energie: het blazen van de wind. De Pythagoreeërs beschouwden de kosmos als levend en ademend. Het kreeg ook – reeds bij Euripides – de betekenis van “de adem van de levende wezens”. Op deze idee van de lichamelijke wind baseerde Hippokrates zijn Peri Phusoon, De flatibus (over de winden). Deze lichaamswind (phusa) is een deel van de kosmische pneuma (“Het hele universum tussen hemel en aarde is gevuld met pneuma”) en de basis van het leven. Aristoteles nam deze idee over en beschouwde pneuma als datgene wat levende van niet-levende wezens onderscheidde. Het is een bio-motorische kracht, aangedreven door de psychè. In zijn opvatting kan de lucht niet de oorzaak van het leven zijn, vermits een foetus niet ademt. Het pneuma kan zichzelf niet stimuleren, en dit moet door een geestelijk principe gebeuren; de psychè. Waarmee we niet alleen in het dualisme belanden, maar een onoverbrugbare kloof tussen lichaam en geest hebben geschapen.

Energie (2) beweging


Het duidelijkste verschil is beweging. De doden kunnen niet dansen, terwijl de levenden vrolijk rondspringen. In vroege culturen, zoals die van het oude Egypte en Griekenland, werd beweging vaak als teken beschouwd dat het bewegende object, al was het de zon die langs de hemel trok, wilde bewegen of de bedoeling had te bewegen, en het dus een soort geest had die dit wilde. Een kanttekening hierbij is echter dat ook een dood lichaam kan bewegen. Als we een arm optillen en loslaten, zal hij terugvallen. Als we het lichaam oprichten en overeind houden en met zijn arm zwaaien, zal het staan te wuiven. Als we beide mondhoeken opduwen, schenkt het ons misschien zelfs een demonische glimlach (mits rigor mortis nog niet is ingetreden). Het wezenlijke verschil tussen de levenden en de doden is niet beweging zelf, maar eerder spontane of opzettelijke beweging. Opzettelijke beweging is een teken van geest, een soort mentale energie. Dit concept van zelf gecreëerde beweging gebruikten vroege culturen om de wereld in het levende en het levenloze te verdelen. Als spontane beweging niet door levende mensen of dieren werd veroorzaakt, dan werd ze aan zielen, geesten, duivels of goden toegeschreven. Een steen leeft niet, omdat hij niet uit zichzelf beweegt – zelfs een rollende steen leeft niet als hij van een berg wordt geduwd – maar een lawine kan op het werk van een boze god of duivel wijzen. Het schijnbaar spontane bewegen van wind, bliksem, zon en planeten werd door de oude Egyptenaren, Chinezen, Grieken en indianen in verband gebracht met geesten of goden. Het onderscheid tussen levende en niet-levende dingen was toen in feite niet zo helder of belangrijk als nu, omdat de wereld vol bovennatuurlijke geesten was en men zelfs van levenloze objecten kon denken dat ze bedoelingen of verlangens hadden.

We dienen er nota van te nemen dat het soort beweging dat als 'zelfgecreëerd' wordt beschouwd, afhangt van de theorie die men hanteert. Thales, die bekendstaat als de 'grootvader' van de Griekse filosofie en wetenschap en die rond 600 v. Chr. actief was, dacht dat een magneet een ziel had omdat hij ijzer kon laten bewegen. Het feit dat alles onder bepaalde omstandigheden bijvoorbeeld wanneer men het laat vallen) op schijnbaar spontane manieren beweegt, was mogelijk de reden voor zijn vermaarde uitspraak: 'Alle dingen zitten vol goden'. Omstreeks 350 v. Chr. Beschreef Aristoteles God als de ‘onbewogen beweger’, de eerste bron van vrije, ongedwongen beweging en verandering. Nu zijn we in het andere uiterste vervallen en geloven veel wetenschappers dat spontane bewegingen of veranderingen

niet bestaan, zelfs niet in mensen (omdat elke verandering, via een of ander mechanisme, door een voorafgaande verandering wordt veroorzaakt), en goden, zielen of geesten dus niet nodig zijn.

Wanneer onze holbewoner-denker zijn prachtige nieuwe hypothese (dat zelf gecreëerde beweging het verschil uitmaakt tussen leven en dood) in naburige grotten ter sprake brengt, zal een bijdehante holbewoonster al snel wijzen op de fout in zijn redenering, namelijk dat hij, wanneer hij slaapt of buiten westen is, geen zelf gecreëerde bewegingen aan de dag legt, maar het er toch alle schijn van heeft dat hij leeft. Ze vervolgt misschien dat iedereen met een beetje verstand weet dat onder zulke omstandigheden een levende van een dode te onderscheiden is door bijna onmerkbare inwendige bewegingen: ademhaling, polsslag en hartslag. Deze inwendige bewegingen worden ook nu nog gebruikt om de diagnose levend of dood te stellen, en het onderzoek naar deze bewegingen, en de ermee verbonden processen, heeft geleid tot onze moderne denkbeelden over leven en lichamelijke energie.

Energie (1) 'in den beginne'


'In den beginne' was de betekenis van energie niet los te zien van de betekenis van leven. 'Wat is leven?' was een onontkoombare vraag voor mensen die dagelijks met de dood en met stervenden werden geconfronteerd. Een lichaam dat pas dood is lijkt misschien identiek aan het levende lichaam dat nog maar enkele ogenblikken tevoren bestond, maar een belangrijk ingrediënt ontbreekt: leven. Wat is dit onzichtbare dat het levende bezielt, maar bij de dood verdwijnt?

Belangrijke aanknopingspunten worden verschaft door de subtiele verschillen tussen wat leeft en wat dood is: beweging, ademhaling, hartslag, trilling, warmte, groei en (minder in het oog springend) bewustzijn. Deze verschillen stonden centraal in de opvatting van leven (en dood) in de meeste oude culturen, en zijn nog altijd belangrijk in onze eigen moderne en wetenschappelijke ideeën over het leven. Alleen een opsomming van de verschillen kan ons echter geen algemene theorie van leven en dood bieden. Waarom is een algemene theorie noodzakelijk? Omdat de dagelijkse confrontatie met de dood aanleiding gaf tot dringende, praktische vragen: kan de dood worden verhinderd? En zo niet, kan hij ongedaan worden gemaakt? Ten slotte, als helemaal niets hielp, de ultieme vragen: was de dood het einde? Wat gebeurde er na de dood met lichaam en geest?

Stel u een holbewoner voor die zich over zijn juist overleden holbewoonster buigt: met gefronst voorhoofd, Rodin-pose en vol vraagtekens borrelt de gedachte in hem op: 'Wat is leven en wat is dood?' Natuurlijk heeft zo'n holbewoner nooit bestaan -we permitteren ons alleen een hulpmiddel in ons verhaal. Maar als onze prehistorische speurder de essentie van het leven mentaal kan vatten, kan hij die misschien aan zijn gezellin teruggeven, en haar opnieuw liefhebben. Hij moet echter opschieten, voordat haar nog warme en beminnelijke lichaam begint te rotten en tot stof vervalt. Om dit kosmische raadsel aan te pakken, moet hij de verschillen tussen zijn geliefde vóór en zijn geliefde na de dood ontwarren. De enige aanwijzingen die hij heeft zijn die welke hij kan zien, horen of voelen; zijn enige bewijsmateriaal is het lichaam. Hij moet het lichaam interpreteren. De betekenis van leven is niet een of andere grootse theorie, maar zit hem in de wat griezelige verschillen tussen een levend en een dood lichaam.