Posts tonen met het label Antonio Damasio. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Antonio Damasio. Alle posts tonen

vrijdag 13 februari 2009

Intuïtie


Op bewust niveau geven lichamelijke toestanden (of hun surrogaten) de consequenties van reacties een positief of negatief stempel en leiden ze op die manier tot de beslissing om een bepaalde reactiemogelijkheid te aanvaarden of te verwerpen. Maar soms werken ze achter de schermen, dat wil zeggen buiten het bewustzijn om. Hoewel de hersenen expliciete voorstellingen van een negatieve consequentie maken, brengen deze voorstellingen geen waarneembare verandering in de lichaamstoestand teweeg, maar onderdrukken ze de neurale regulatiecircuits in de subcorticale structuren, die begeerte en benaderingsgedrag bewerkstelligen. Met de onderdrukking van de neiging te handelen, of de feitelijke versterking van de neiging zich terug te trekken, worden de kansen van een mogelijk negatieve beslissing kleiner. In ieder geval wordt er tijd gewonnen, zodat bewuste overwegingen de kans dat een juiste (zo niet de beste) beslissing wordt genomen, vergroten. Bovendien kan een negatieve optie definitief verworpen worden, of kan de versterking van de impuls om te handelen de kansen van een duidelijk positieve optie groter maken. Dit verborgen mechanisme zou de bron kunnen zijn van wat we intuïtie noemen, het raadselachtige mechanisme waarop we oplossingen vinden zonder dat er een redenering aan voorafgaat.

De wiskundige Henri Poincaré illustreerde met de volgende passage de rol die intuïtie in het algemene proces van besluitvorming speelt:

“Wat is wiskundig scheppen eigenlijk? Het is niet het opnieuw combineren van wiskundige eenheden die we al kennen. Dat zou iedereen kunnen, maar op die manier zouden talloze combinaties gevormd kunnen worden en de meeste zouden nergens toe dienen. Scheppen bestaat nu juist uit het vermijden van nutteloze combinaties en uit het vormen van bruikbare combinaties, die veruit in de minderheid zijn. Ontdekken is scherpzinnig zijn, keuzes maken.

Hoe zo’n keuze tot stand komt, heb ik al uitgelegd: de wiskundige gegevens die het bestuderen waard zijn, zijn de gegevens die ons door hun overeenkomst met andere gegevens op het spoor van een wiskundige wet brengen, zoals experimentele gegevens ons op het spoor van een natuurkundige wet brengen. Het zijn de gegevens die een onverwacht verband tussen andere gegevens aan het licht brengen, die we allang kennen maar waarvan we altijd onterecht hebben aangenomen dat ze geen enkele verwantschap met elkaar hadden.

De meest vruchtbare combinaties voegen vaak elementen samen uit domeinen die ver uiteenliggen. Daarmee wil ik niet zeggen dat we, om een ontdekking te doen, alleen maar de meest ongelijksoortige objecten hoeven samen te brengen: de combinaties die op die manier ontstaan, blijken meestal volkomen onvruchtbaar te zijn. Maar onder deze combinaties vinden we, heel zelden, de vruchtbaarste.

Zoals ik zei, is ontdekken kiezen: maar het woord is misschien niet geheel juist. Het roept het beeld op van een inkoper voor wie een groot aantal artikelen zijn uitgestald, die hij stuk voor stuk bekijkt op uiteindelijk zijn keuze te maken. In ons geval zouden er zoveel artikelen zijn, dat er een heel leven voor nodig was om ze allemaal te bekijken. In feite gaat het anders. De onvruchtbare combinaties komen de ontdekker niet eens in gedachten. In het veld van zijn bewustzijn verschijnen nergens combinaties die niet echt bruikbaar zijn, afgezien van de enkele die hij verwerpt, maar die in zekere zin de eigenschappen van bruikbare combinaties hebben. Het gaat eraan toe alsof de ontdekker een examinator is die alleen kandidaten die de eerste examenronde al hebben gehaald, hoeft te ondervragen.”
[Henri Poincaré, Science et Méthode]

We hoeven niet het hele veld van mogelijke reacties te beredeneren. Er vindt, al dan niet achter de schermen, een voorselectie plaats. Een biologisch mechanisme maakt de voorselectie, ondervraagt de kandidaten en geeft slechts enkelen toestemming aan het laatste examen deel te nemen.

De natuurkundige en bioloog Leo Szillard stelde het eenvoudiger:
“De creatieve wetenschapper heeft veel gemeen met de kunstenaar en de dichter. Voor de wetenschapper zijn logisch denkvermogen en analytisch talent noodzakelijke attributen, maar voor creatief werk zijn ze bijlange na niet voldoende. De wetenschappelijke inzichten die tot een doorbraak hebben geleid, zijn niet logisch afgeleid uit reeds bestaande kennis: de creatieve processen waarop de vooruitgang van de wetenschap berust, werken op het niveau van het onbewuste.” (Leo Szilard, in Genius in the shadow)
Jonas Salk heeft dezelfde opvatting krachtig verwoord en geopperd dat creativiteit op een “huwelijk van de intuïtie en de rede” berust (Jonas Salk, The Anatomy of Reality).

[Antonio Damasio, De vergissing van Descartes: Gevoel, verstand en het menselijk brein]

In het onbewuste deel van onze hersenen worden voortdurend ervaringen en gevoelens opgeslagen. Die spelen, zonder dat we het beseffen, een belangrijke rol bij de beoordeling van mensen en situaties en bij de gevoelsmatige beslissingen die we nemen. Intuïtie is dus geen bovennatuurlijke gave, maar een standaardonderdeel van onze breinkracht, een mechanisme om te overleven.

Neem een ervaren brandweerman. Hoe vaak komt het niet voor dat hij in de hitte van het bluswerk plotseling een 'niet pluis-gevoel' krijgt en zichzelf in veiligheid brengt, vlak voordat het dak of de vloer instort. Hoe wist hij dat het precies op dat ogenblik zou gaan gebeuren, en niet eerder of later? 'Ik voelde het aankomen,' zal hij antwoorden. Of: 'Het was gewoon intuïtie.'

Maar volgens de Amerikaan David Myers, hoogleraar psychologie en deskundige op het terrein van de intuïtie, was het gewoon zijn onbewuste brein dat op grond van allerlei signalen, afgezet tegen jarenlang opgeslagen brandervaringen en risicocalculaties, heel precies het gevaar wist in te schatten en de brandweerman met lichamelijke signalen als angst en stress wist aan te sporen om te vluchten. Intuïtie is dus niets meer of minder dan een evolutionair hulpmiddel om te overleven. Het zit al grotendeels ingebouwd bij de geboorte, maar kan worden versterkt door ervaring.

Dat ingebouwde deel is terug te vinden in onze instinctieve reacties. Iedereen die in het bos oog in oog komt te staan met een groot woest dier weet instinctief dat er gevaar dreigt, zelf al is het de eerste keer dat zoiets gebeurt. Maar hoe zit het met die doodgewone man die je op het bospad tegemoet komt? Uit verschillende fascinerende onderzoeken blijkt dat onze hersenen in staat zijn om deze persoon binnen een fractie van een seconde op talloze details te 'scannen', de gegevens te vergelijken met opgeslagen herinneringen, ervaringen en gevoelens, en onbewust oftewel 'intuïtief' de beslissing te nemen of we hem kunnen vertrouwen of niet.

Die beslissing gaat gepaard met subtiele lichamelijke signalen zoals lichte misselijkheid, angstzweet en dergelijke bij het intuïtieve gevoel dat het niet in orde is, of ontspanning, rustige ademhaling als het wél goed zit. Wie twijfelt aan deze wetenschappelijk verklaring moet maar eens bij zichzelf ontleden hoe intuïtieve oordelen en beslissingen tot stand zijn gekomen. Achteraf zijn ze heel logisch te verklaren.

Zelfs voor het fenomeen dat vrouwen gemiddeld intuïtiever zijn dan mannen, hebben wetenschappers een verklaring. Emotionele herinneringen en ervaringen spelen een belangrijke rol bij intuïtie. Vrouwen zijn in hun leven en hun verbeelding meer gespitst op emoties. Ze zoeken ze op en lokken ze uit. Ze besteden meer tijd en energie aan het herkennen en begrijpen van gevoelens van zichzelf en anderen. Dit is allemaal wetenschappelijk vastgesteld. Hun intuïtie is wat scherper afgesteld, en ze durven er meer op af te gaan.

Overigens lang niet altijd terecht, benadrukt David Myers in zijn boek Intuition, Its powers and perils. Te veel vertrouwen op je intuïtie ten koste van je verstand kan riskant zijn, omdat de emotionele informatie waarmee we ons onbewuste brein voeden niet altijd volledig en correct is. “Mensen zijn meesters in het bedonderen van zichzelf,” waarschuwt Myers. “Het is schokkend om te merken hoe gemakkelijk we onjuiste herinneringen opslaan, hoe slecht we de realiteit beoordelen en hoe weinig we begrijpen van onze eigen emoties.”

Al die ruis in ons onbewuste kan ertoe leiden dat we intuïtieve oordelen vellen en beslissingen nemen die volkomen de plank misslaan. Zoals miljoenen mensen weten die de verkeerde partner kozen of de verkeerde aandelen kochten.

De hypothese van het somatische stempel


Stel u voor dat u vanbinnen een onaangenaam gevoel krijgt als u zich de negatieve gevolgen van een bepaalde responsselectie voorstelt, hoe vluchtig ook. Omdat dat gevoel lichamelijk is, en omdat het ‘zijn stempel drukt’ op een voorstelling kunnen we dit een somatische stempel noemen.

Wat doet het somatische stempel? Het richt uw aandacht op de mogelijke negatieve gevolgen van een bepaalde actie en functioneert als een automatisch alarmsignaal dat zegt: pas op, want er dreigt gevaar als je de mogelijkheid met deze gevolgen kiest.

Somatische stempels zullen voor normale menselijke beslissingen niet altijd toereikend zijn, en in veel gevallen, zij het niet alle, volgt er dan ook een proces van redenering en een uiteindelijke selectie. Somatische stempels vergroten waarschijnlijk de nauwkeurigheid en doeltreffendheid van de besluitvorming. Het ontbreken van somatische stempels gaat ten koste van de nauwkeurigheid en doeltreffendheid. De hypothese van het somatische stempel zegt niets over de denkstappen die op de somatische bestempeling volgen. Somatische stempels nemen geen beslissingen voor ons, ze helpen ons bij onze beslissingen door bepaalde mogelijkheden (zowel gunstige als ongunstige) uit te lichten, zodat we die alvast niet meer hoeven te overwegen.

Somatische stempels worden geboren met de machinerie van de primaire emoties, d.w.z. met de neurale machinerie die ervoor zorgt dat bepaalde soorten prikkels lichamelijke toestanden teweegbrengen. De meeste somatische stempels zijn ontstaan doordat onze hersenen tijdens onze opvoeding en socialisatie specifieke soorten prikkels aan specifieke soorten lichamelijke toestanden koppelen. Somatische stempels worden dus door ervaring verworven, onder de controle van een inwendig systeem van voorkeuren en onder invloed van uitwendige omstandigheden, waartoe niet alleen eenheden en gebeurtenissen behoren waarmee het organisme in wisselwerking moet treden, maar ook sociale gebruiken en ethische regels.

De neurale basis voor het inwendige systeem van voorkeuren bestaat uit merendeels aangeboren disposities voor de regulatie die de overleving van het organisme moet waarborgen. De overleving valt samen met zo min mogelijk onplezierige lichaamstoestanden en zoveel mogelijk homeostatische toestanden of functioneel evenwichtige biologische toestanden.

“David Hume, die zich terdege bewust was van de waarde van emoties, zou het waarschijnlijk niet oneens zijn met de bovenstaande ideeën, en ook Pascal, die zei dat ‘het hart redenen heeft waarvan de rede geen weet heeft’, zou mijn uiteenzetting misschien geloofwaardig vinden. Ik ben zo vrij zijn uitspraak aan te passen: het organisme heeft redenen waarvan de rede gebruik moet maken. Het lijdt geen twijfel dat het proces meer behelst dan de redenen van het hart. Ten eerste kunnen we met de instrumenten van de logica de geldigheid van de selecties waaraan onze voorkeuren hebben bijgedragen, controleren. Ten tweede kunnen we de redenen van het hart overstijgen door de strategieën van deductie en inductie op snel beschikbare verbale stellingen toe te passen.”
[Antonio Damasio, De vergissing van Descartes: Gevoel, verstand en het menselijk brein]

Emoties


Reclame maken is verleiden en is dus oeroud; denk maar aan het verhaal geïnspireerd op de Bijbel waar Eva Adam verleidt met een appel. We weten allen waartoe dit heeft geleid. De meeste mensen beschouwen reclame als kinderlijk en veronderstellen dat zij zich als rationele wezens niet door laten beïnvloeden.

Vraag iemand naar zijn beweegredenen voor het nemen van een bepaalde beslissing, en de kans is klein dat louter rationele overwegingen worden aangevoerd. Door emotie ingegeven voorkeuren lijken vaak even belangrijk, zo niet belangrijker. Welk huis we kopen, voor welk vakantieland we kiezen; het zijn beslissingen die we zelden kunnen staven met enkel een koele opsomming van logische argumenten. Niet alleen het hoofd, maar ook het hart laat zijn stem gelden.

Common sense vertelt ons dus dat wij geen zuiver rationele beslissers zijn; verstand en gevoel kennen normaliter geen strikte scheiding. Een lange filosofische traditie, die terugvoert op Plato, huldigt echter de opvatting dat emoties buitengesloten dienen te worden, wil de mens tot goede oordelen kunnen komen. Emoties zijn irrationele impulsen die de rede verstoren, verkondigden velen in navolging van de Griekse wijsgeer.

Voor Descartes is emotionaliteit een neutrale toestand die in verband staat met de behoeften van het organisme, en behoren gevoelens dan ook tot de “passions”. Nicolas Malebranche (1638-1715), leerling van Descartes, ziet de emoties weliswaar niet meer als puur lichamelijk zoals zijn meester, maar beschouwt gevoelens toch als duister, in tegenstelling tot de helderheid van de ideeën. En dit zal de opvatting van het westen blijven: gevoelens zijn irrationeel en kunnen niet als constructieve elementen van de filosofie of de rationaliteit gebruikt worden.

De Duitse filosoof Max Scheler stelt dat de emotionaliteit niet kan gereduceerd worden tot lichamelijke toestanden, noch tot intellectualiteit. Scheler is van mening dat het a priori – dat Kant gelijkstelde aan de rede – niet tot deze rede beperkt is, maar dat de emotionaliteit ook tot de geest behoort, en dat we derhalve van een emotioneel a priori kunnen spreken. De ervaringswereld is niet reduceerbaar tot enige andere waarde.

Een gelijkaardig standpunt vinden we ook terug bij Konrad Lorenz die stelt dat al onze subjectieve ervaringsinhouden dezelfde graad van realiteit bezitten als wat in de terminologie van de exacte natuurwetenschappen kan worden uitgedrukt.

Konrad Lorenz

“Es muß überzeugend klargemacht werden, daß unsere subjektiven Erlebnisvorgänge den gleichen Grad von Realität besitzen wie alles, was in der Terminologie der exakten Naturwissenschaften ausgedruckt werden kann”.
[Konrad Lorenz, Abbau des Menschlichen]

Max Scheler

Max Scheler heeft een classificatie ontworpen van de gevoelens. Hij gaat uit van de “zin” van de gevoelens, wat wij hun intentionaliteit noemen: gevoelens hebben steeds een betekenis en een bedoeling. Hij onderscheidt daarbij vier niet-reduceerbare “Stufen” graden, gebaseerd op de organische passiviteit en de spirituele activiteit:

“die sinnlichen Gefühle”, lust en onlust van fysische aard. Ik spreek hier van autische intentionaliteit, in de zin dat dergelijke gevoelens van fundamenteel belang zijn voor het zelfbehoud.

“die Leib- und Lebensgefühle” die niet, zoals de vorige, gelocaliseerd zijn op een bepaalde plaats (bv. hoofdpijn), maar het ganse organisme beïnvloeden, zoals een gevoel van lusteloosheid, van spanning, enz. Scheler concentreert zich hier op het individu terwijl wij met “specifieke intentionaliteit” het groepsgedrag van de kudde bedoelen. Er zijn gevoelens, bv. angst, die zich volkomen irrationeel binnen een kudde kunnen voortplanten, ook bij een kudde van menselijke individuen (een massa).

“die rein seelischen Gefühle”, die van psychische en spirituele aard zijn, en die betrekking hebben op “waarden”, zoals liefde, haat, vreugde, droefheid, enz. Als “waarden” kunnen ze alleen in een gemeenschap bestaan: wij noemen ze sociatief

“die geistigen Gefühle”, die betrekking hebben op de diepste zin van subject en object: hoop, mystieke extase, enz. We noemen deze gevoelens, op grond van hun intentionaliteit, altruïsch.

Ook binnen de wetenschap van het menselijke gedrag, de psychologie, werden emoties tot voor kort met een schuin oog aangekeken. Geïnspireerd door de vergelijking tussen mens en computer, richtte men zich lange tijd exclusief op het verstand; de mens als rationeel informatieverwerkingssysteem. Gevoel, dat was hoogstens een hinderlijke stoorzender in de verlichte ether van de menselijke ratio.

Tegen het einde van de twintigste eeuw kwam er een kentering op gang; steeds meer psychologen gingen aandacht vragen voor de tot dan toe onderbelichte rol van emoties in menselijke beslissingsprocessen. Mede dankzij de stormachtige ontwikkelingen in de neuropsychologie is emotie tegenwoordig weer een legitiem object van studie.

Antonio Damasio

De neuroloog Antonio Damasio presenteert in zijn boek Descartes’ error: emotion, reason, and the human brain (1994) een theorie die emoties een belangrijke functie toedicht in beslissingsprocessen. Damasio beschouwt emoties als ‘somatic markers’, lichamelijke signalen die ons – bewust of onbewust – in de richting van een bepaalde keuze drijven. Pijn, als somatic marker, waarschuwt ons bijvoorbeeld dat we een bepaalde handeling in het vervolg beter achterwege kunnen laten. Vreugde, daarentegen, stimuleert ons om iets nogmaals te doen. Geconfronteerd met de vele gedragsmogelijkheden waar we uit kunnen kiezen, is het gevoel als een vuurtoren die ons naar de gewenste plek des bestemmings leidt.



Damasio heeft veel onderzoek verricht bij patiënten met een beschadigde prefrontale cortex, om zo beter zicht te krijgen op hun emotionele responsiviteit, hun beslissingsgedrag, en de relatie tussen beiden. Uit diverse experimenten blijkt dat de veronderstelde somatic markers bij deze patiënten vaak afwezig zijn. De patiënten laten bijvoorbeeld geen automatische emotionele reactie zien wanneer zij afbeeldingen te zien krijgen die gezonde proefpersonen schrik aanjagen (zoals een plaatje van een bloedend hoofd). Tevens illustratief is dat ze bij het uitvoeren van goktaken grote risico’s blijven nemen, ook wanneer het resultaat daarvan herhaaldelijk ongunstig was. De somatische waarschuwingssignalen ontbreken klaarblijkelijk; patiënten maken telkens weer dezelfde fouten, omdat zij niet leren van hun missers zoals gezonde mensen dat doorgaans doen. Andersom kan men stellen dat het doelbewust richten van reclame en informatie op deze somatic markers onze beslissingen ten zeerste kan beïnvloeden.

[Bert De Prins, uitreksel lezing op het symposium rond 'emoties' van 17 mei 2008 te Gent]

dinsdag 3 februari 2009

Gevoel en bewustzijn


In zijn boek ‘Ik voel dus ik ben’ probeert Antonio Damasio het bewustzijn vanuit emoties en gevoel te beschrijven. Dat zijn tenslotte de oudste en meest fundamentele eigenschappen van de menselijke geest. Het zelfbewustzijn kan volgens Damasio niet bestaan zonder emoties en gevoel. En zonder ‘zelf-idee’ kun je niet van bewustzijn in de ware betekenis spreken, meent hij.

Het boek gaat over de biologie van emoties en gevoel, en hoe deze worden gebruikt om ons ‘zelf-idee’ te creëren. Te beginnen met een heel simpele vorm, het kernbewustzijn en vervolgens een ingewikkelder vorm, het uitgebreide bewustzijn, waarin ons geheugen en onze autobiografie ligt.

Emoties en gevoelens bevinden zich tussen de ‘elementaire bioregulatie’ en de ‘hogere rede’ in. De zintuigen geven pijn en genot door. De lager gelegen emoties die daarbij komen kijken, worden voorstellingen, die in de hogere rede vervolgens worden vertaald in bewuste voorstellingen. Bewuste voorstellingen kunnen ten slotte worden omgezet in gedrag. Steeds is er sprake van tweerichtingsverkeer: pijn kan tot een emotie leiden, terwijl sommige emoties een toestand van pijn kunnen veroorzaken – en van beide ben je je bewust.

Deze opvatting heeft iets ongrijpbaars. Damasio probeert het bewustzijn niet vast te pinnen, zoals bijvoorbeeld Daniel Dennett in diens ‘Het bewustzijn verklaard’. Dennett helpt het bewustzijn de wereld uit door het te reduceren tot materiële informatiestromen in een computer. Bewustzijn is niks meer of minder dan een fysisch proces; zegt Dennett. Damasio zou zoiets nooit beweren.

Damasio is natuurlijk ook een reductionist. Iedereen die mechanismen bestudeert, is uiteindelijk een reductionist. Men probeert te begrijpen hoe iets werkt door erachter te komen wat de onderdelen doen. Maar Damasio probeert niet alles te verklaren. Hij verklaart verschijnselen die een neurale component hebben, maar sommige dingen onttrekken zich aan deze beschrijving. Je zult altijd een aantal mentale verschijnselen overhouden: materiële verschijnselen in de brede zin. Onze geesten zijn biologisch. Ooit zullen ze misschien worden beschreven in termen van fysische processen, nucleaire materie en energie. Maar het blijven mentale verschijnselen. Zo’n beschrijving valt op geen enkele wijze samen met de ervaring zelf.

Volgens de critici van de reductionisten zou de geest verdwijnen zodra men alles in neurologische termen verklaard heeft, omdat men dan alle achterliggende processen in materiële processen kan beschrijven. Het idee dat de geest verdwijnt zodra je hem hebt verklaard is echter incorrect. De fysische beschrijving van de geest kan de ervaring immers niet vervangen. Zo belandt men in een subtiele positie: het ‘aspect-dualisme’. Aspect-dualisme is de onderkenning dat mentale fenomenen bestaan en blijven bestaan als we ze hebben verklaard. De ervaring is in dat geval een onvervreemdbaar aspect van ons bewustzijn. Dat is een ander soort dualisme dan het dualisme van Descartes: Descartes was een ‘substantie-dualist’. Hij geloofde echt in een geest die na de dood zou voortbestaan, die volstrekt immaterieel was en nagenoeg los van het lichaam stond.

Damasio onderscheidt in zijn boek twee manieren om tegen het bewustzijn aan te kijken: de ‘film in het brein’ tegenover het ‘belichaamde zelf’. Veel neurologisch studies over bewustzijn beperken zich tot de film in het brein, maar ze missen daardoor een dieper fundament: het lichaam waar het bewustzijn uit voortkomt. Het is vrijwel onmogelijk om onze identiteit te definiëren zonder rekening te houden met het feit dat deze in een lichaam is verankerd. Traditioneel werd dit ‘zelf’ als de meest mysterieuze en onbenaderbare eigenschap van het bewustzijn beschouwd. Daarom concentreerde men zich liever op het ‘gemakkelijke’ probleem: de ‘film in ons brein’. Als je maar genoeg elektroden in de visuele cortex steekt, zou je wel achter visuele waarneming komen, dacht men. Dat is absurd, want zelf met al die elektroden weet je nog niet hoe die ervaring wordt opgewekt. Als je daarentegen uitgaat van emoties en gevoelens, ben je een flink eind op weg naar hoe dat – belichaamde – zelf is geconstrueerd. Wat werd beschouwd als het ‘moeilijkste’ probleem, komt dan ineens veel dichterbij.