Posts tonen met het label Friedrich Nietzsche. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Friedrich Nietzsche. Alle posts tonen

woensdag 25 maart 2009

De meest hoogmoedige en leugenachtige minuut


In de een of andere uithoek van het in talloze zonnestelsels flonkerend uitgegoten heelal was eens een planeet waar schrandere dieren het kennen uitvonden. Dat was de meest hoogmoedige en leugenachtige minuut van de ‘wereldgeschiedenis’, maar toch niet meer dan een minuut. Na enkele ademtochten van de natuur verstarde de planeet en de schrandere dieren moesten sterven. – Zo zou iemand een fabel kunnen verzinnen en zou toch niet voldoende geïllustreerd hebben, hoe beklagenswaardig, schimmig en vluchtig, hoe doelloos en willekeurig het menselijk intellect binnen de natuur aandoet; er zijn eeuwigheden geweest dat het er niet was; als het er weer mee gedaan is, zal er niets voorgevallen zijn. Want er is voor dit intellect geen andere missie die verder reikt dan het menselijk leven. Integendeel, het is menselijk, en alleen de bezitter en voortbrenger ervan vat het zo pathetisch op, alsof het de spil is waar de wereld om draait. Maar als we met de mug zouden kunnen communiceren, zouden we te horen krijgen dat ook die met hetzelfde pathos door de lucht vliegt en zichzelf het vliegend centrum van deze wereld voelt. Er is niets zo verwerpelijk en nietig in de natuur of het wordt door een kleine inblazing van die kracht van het kennen direct als een ballon opgeblazen; en zoals elke lastdrager zijn bewonderaar wil hebben, zo gelooft de meest trotse mens, de filosoof, vanaf alle kanten de ogen van het heelal telescopisch op zijn handelen en denken gericht te zien.

[Friedrich Nietzsche, Over waarheid en leugen in buiten-morele zin]

woensdag 21 januari 2009

God is dood - Nietzsche


‘God is dood’, dit ‘thema’ verwijst naar Nietzsche. Maar wat bedoelde Nietzsche?

“Wat als God niet de waarheid zou zijn en stel dat zoiets werd bewezen? Stel dat hij slechts berust op de ijdelheid van de mens, zijn lust macht te hebben over anderen, zijn ongeduld om wat er hem staat te gebeuren, de terreur die hij uitoefent, kortom zijn geëxalteerde en dodelijke zotheid?”

(Morgenröthe, 1881, 93-95.)

Erasmus had al lang voor Nietzsche over die zotheid geschreven.

“Heb je niet gehoord van de gek die een lantaarn aanstak bij klaarlichte dag, naar de marktplaats liep en zonder onderbreking aan het roepen ging: ‘Ik zoek god! Ik zoek god!’. ‘Waar is god?, schreeuwde hij. ‘Ik zal het u zeggen. Wij hebben hem gedood – jij en ik. Wij zijn allemaal moordenaars. ... Nooit werd er een grotere daad gesteld en wie ook na ons wordt geboren, hij zal, als gevolg van die daad, aan een meer verheven geschiedenis toebehoren dan alle geschiedenis, die is geweest ...’”

(Die fröhliche Wissenschaft, 1882, 125).

Wie is ‘wij’? En wie ben jij die spreekt uit naam van ‘zij’ die jij ‘wij’ noemt?

“Het geloof aan een christelijke God is volstrekt ongeloofwaardig geworden.”

(Die fröhliche Wissenschaft, 1882, 343)

Hier gaat het om een “christelijke God”, of een christelijke voorstelling van God. Het impliceert dat er andere zijn.

“God is dood is de grootste recente gebeurtenis.”

(Die fröhliche Wissenschaft, 1882, 344)

Onder welke gebeurtenissen is dit de grootste gebeurtenis?

“God is onze meest gevestigde leugen [Met de negatie van God negeren wij de goddelijke eigenschappen die behoren tot de uitmuntende kwaliteiten die doorgaans werden verbonden met God en goddelijkheid] Want wij weten het – wij goddelozen, ongelovigen, immoralisten –,de wereld waarin wij leven is niet goddelijk, immoreel en onmenselijk.”

(Die fröhliche Wissenschaft, 1882, 346)

Bevrijding van de leugens die het gevolg zijn van idolatrie, was het niet het wezen van de strijd tegen het veelgodendom, veelgodendom dat naderhand door het rijk van een antropomorfe god met zijn heiligen werd vervangen?

“God, dat is een vergissing van de mensen geweest.”

(Götzen-dämmerung, 1889, I:7)

“Wij loochenen God om op die wijze de wereld te kunnen verlossen.”

(Götzen-dämmerung, 1889, VI:8)

De betekenis in de twee citaten is dat het gaat om theologische uitvindingen die elk contact met een concrete realiteit ontberen. Het betreft ingebeelde oorzaken en ingebeelde wezens. Ja, zoals wordt bewezen door de invaller voetballer die het veld komt opgelopen, niet na een kruisteken te hebben gemaakt. Om de ingebeelde hulp van een ingebeeld wezen te vragen. De tegenspeler deed een halve minuut daarvoor net hetzelfde.

“Dat we geen God meer vinden, dit is niet wat ons verdeeld. Er is veel meer. Wat ons verdeeld is dat wij nog goddelijke eigenschappen toeschrijven aan kwaliteiten die contextueel, tijdruimtelijk bepaald zijn.”

(Der Antichrist, 1895, 47; na zijn instorting en het begin van zijn waanzin)

Hier gaat het om ‘kwaliteiten’, waarover de filosoof zegt dat ze altijd tijdruimtelijk (en dus contextueel) bepaald zijn. Niet de opvattingen over God verdelen de mensen, wel dat zij tegenover elkaar staande werken met absolute kwaliteiten die van een gods-voorstelling zouden zijn afgeleid.

“Onze grootste inbreuk op het bestaan is het bestaan van God geweest. Door die inbreuk is het leven verworden tot een monstruositeit. ... Onze grootste verlossing bestaat erin dat wij die idee van het bestaan van God hebben uitgebannen.”

Der Wille zur Macht (uit nota’s daterend uit 1883-1888), 707.

Wie zijn wij? En zijn er geen veel groter inbreuken geweest op het menselijke bestaan?

zaterdag 3 januari 2009

Bij het nieuwe jaar


Bij het nieuwe jaar.- Nog leef, nog denk ik: ik moet nog leven, want ik moet nog denken, Sum, ergo cogito: cogito, ergo sumo. Vandaag veroorlooft zich iedereen, zijn wens en liefste gedachten uit te spreken: nu, dan wil ook ik zeggen, wat ik mij vandaag van mij zelf wenste en welke gedachte dit jaar voor het eerst mijn hart beving - welke gedachte voor mij basis, borg en heerlijkheid van heel mijn verdere leven zijn moet! Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone beschouwen- zo zal ik een van diegenen zijn, die de dingen schoonheid verlenen. Amor fati: dat zij van nu af aan mijn liefde! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen. Voorbijzien zij mijn enige ontkenning! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens uitsluitend iemand zijn, die ja zegt!

(Friedrich Nietzsche, Vrolijke wetenschap Vierde boek aforisme 276, vertaling Pé Hawinkels)

dinsdag 30 december 2008

De slaap (3) - inslapen


"Trois heures du matin. Je perçois cette seconde, et puis cette autre, je fais le bilan de chaque minute. Pourquoi tout cela? - Parce que je suis né.
C'est d'un type spécial de veilles que dérive la mise en cause de la naissance."
(E. Cioran, De l'inconvénient d'être né.)

De schrijver Cioran kon onmogelijk de slaap vinden, omdat hij weigerde zich te verzoenen met het menselijk bestaan, omdat hij als een razende bleef tekeergaan tegen de wereld. Het voldongen feit van geboren te zijn vervloekte hij als de meest gruwelijke gebeurtenis die hem was overkomen. Gevoelens van ontevredenheid en verbolgenheid, van opstandigheid en woede palmden zijn gemoed in. Over de situatie van 'er te zijn' - een situatie die hij niet zelf had gekozen - kon zijn gemoed onmogelijk tot rust en berusting komen.

In Nietzsches Aldus sprak Zarathoestra is Zarathoestra slechts bereid om in te slapen wanneer zijn walging voor de wereld en haar bewoners is weggevallen. Hij legt zich slechts neer in het 'bonte gras' op het ogenblik van de middag, wanneer de zon in het zenit staat. Op het ogenblik dat de zon haar hoogste punt aan het uitspansel heeft bereikt, wordt de aarde stil, rond, rijp, gouden en volmaakt. De slaap komt slechts nadat Zarathoestra eerst urenlang aan goede dingen heeft gedacht en elk verlangen, elke 'kleine dorst' is vergeten. Het bestaan drukt hem niet meer teneer, maar is zo vederlicht dat het zelfs zijn ogen niet dichtdrukt: "Zoals een teer briesje, ongezien, danst op een spiegelgladde zee, licht, verderlicht: zo - dans de slaap op mij." Wie inslaapt heeft zich met het bestaan verzoend, of althans toch met een bestaan zoals dat zich hier en nu aandient aan de bijziende aandacht van wie in slaap valt. Stilzwijgend heeft hij of zij er 'ja' tegen gezegd.