Posts tonen met het label Wetenschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wetenschap. Alle posts tonen

maandag 9 februari 2009

Paradigma als themabepaling


Een paradigma is niets anders dan een themabepaling. Bepaalde problemen en bepaalde oplossingen worden door haar vooruitgeschoven. Een bepaalde thematiek duidt aan welk soort oplossingen er bevredigend is.

Kuhn wou een onderscheid maken tussen periodes van wetenschappelijke revoluties en periodes van normale wetenschap. Normaalwetenschappelijk onderzoek dankt zijn cumulatieve successen aan het feit dat ze juist die problemen kiest die door haar technieken en methoden juist kunnen opgelost worden. Een paradigmastrijd ontbrandt juist wanneer er geen oplosbare problemen zich voordoen. Door het feit dat paradigma’s incompatibel en incommensurabel zijn, zou de wetenschap echter de aanblik moeten geven dat ze niet cumulatief is. Kuhn komt echter op het einde van zijn werk tot de verlegenheid zich de volgende vraag te stellen.

“Als de beschrijving überhaupt is doorgedrongen tot de diepste structurele kenmerken van de voortdurende ontwikkeling van een wetenschap, heeft ze tegelijkertijd een probleem opgeworpen: waarom is er in de wetenschap een gestage vooruitgang, terwijl dat niet het geval is in bijvoorbeeld kunst, politieke theorie of filosofie? Waarom is de vooruitgang bijna uitsluitend voorbehouden aan de activiteiten die wij wetenschap noemen?” (Th. S. Kuhn)

De wetenschap heeft een bestendige cumulatieve opeenhoping die men in andere disciplines niet kent. De wetenschappelijke revoluties zouden dan toch cumulatief zijn. Kuhn probeert dit probleem op te lossen door Darwinistisch te worden.

“De analogie die de evolutie van organismen in verband brengt met de evolutie van wetenschappelijke ideeën kan gemakkelijk te ver worden doorgevoerd. Maar ten aanzien van de in dit slothoofdstuk aangesneden onderwerpen is ze bijna perfect. Het proces, dat in hoofdstuk 12 beschreven is als de beëindiging van revoluties, is het door middel van een conflict binnen de wetenschappelijke gemeenschap selecteren van de meest geschikte wijze om in de toekomst wetenschappelijk onderzoek te verrichten.” (Th. S. Kuhn)

De Darwinistische theorie, die volgens Kuhn toch ook paradigmatisch zou moeten bepaald zijn, is toch niet interpoleerbaar naar andere gebieden dan die van de levende wezens. Waarom zouden de Darwinistische wetten basiswetten van alles zijn? Kuhn duidt echter misschien wel aan wat er zich werkelijk binnen het wetenschapsbedrijf afspeelt: de wetenschap wordt bedreven omwille van de wetenschap; een paradigma wordt verkozen omdat het verder wetenschappelijk onderzoek mogelijk maakt. Wat is trouwens met ‘toekomstige wetenschap’ bedoeld? Wordt een paradigma verkozen omwille van toekomstige wetenschappelijke revoluties of omwille van toekomstig normaal wetenschappelijk onderzoek? Kuhns antwoord is: de beslissende wetenschappelijke vragen zijn deze die de verzekerde gang van de wetenschap vastleggen. Een paradigma wordt dus gekozen door een soort superparadigma, namelijk de zekerheid, het cumulatief karakter, de vooruitgang. Er is dus geen tegenstelling tussen objectiviteit van de wetenschap en de paradigmatische veranderingen. De objectiviteit is het proto-paradigma. Wat is trouwens het verschil tussen de Ptolemeïsche en Copernicaanse astronomie? De Copernicaanse is objectiever. Ptolemeus bleef gebonden aan een menselijk gezichtspunt, namelijk de aarde. Copernicus bekeek het firmament onafhankelijk vanuit zichzelf. Een paradigma wordt dus gekozen omdat ze een hogere graad van objectiviteit garandeert.

Op bepaalde ogenblikken komen er dus meer gespecialiseerde paradigma’s ter sprake dan de grote theorieën. De eigenlijke substantiële definitie van wat een paradigma is, vindt men in het negende hoofdstuk dat als titel heeft: ‘Het karakter en de noodzakelijkheid van wetenschappelijke revoluties’ (‘The nature and necessity of scientific revolutions’). Hierin vinden we Kuhns beslissende uitspraken over de kenmerken van een paradigma op basis van een beschrijving van de manier waarop paradigma’s onderling verschillen:

“Laten we daarom verder maar aannemen dat de verschillen tussen opvolgende paradigma’s zowel noodzakelijk als onverzoenlijk zijn. Kunnen we nu meer expliciet zeggen om welke soorten verschillen het gaat? Het meest opvallende type is al herhaaldelijk naar voren gebracht. Opvolgende paradigma’s vertellen ons verschillende dingen over de bevolking van het universum en over de gedragingen van die bevolking. Dat wil zeggen, ze verschillen van mening over zulke problemen als het bestaan van subatomaire deeltjes, de materialiteit van het licht, en het behoud van warmte of energie. Dit zijn de belangrijkste verschillen tussen opvolgende paradigma’s en ze behoeven niet verder geïllustreerd te worden. Maar paradigma’s verschillen in meer dan dit opzicht, want ze zijn niet alleen gericht op de natuur maar ook op de wetenschap waardoor ze werden voortgebracht. Ze zijn de bronnen van de probleemoplossende methoden en normen die op ieder moment door een bepaalde wetenschappelijke gemeenschap aanvaard worden. Daarom maakt de aanvaarding van een nieuw paradigma dikwijls een nieuwe definitie van de overeenkomstige wetenschap nodig. Een aantal oude problemen kan worden verwezen naar een andere wetenschap of wordt volledig ‘onwetenschappelijk’ verklaard. Andere, die daarvoor niet bestonden of triviaal waren, kunnen vanwege het nieuwe paradigma juist dé voorbeelden worden van belangrijke wetenschappelijke prestaties. En met de problemen veranderen vaak ook de criteria die een werkelijk wetenschappelijke oplossing onderscheiden van een puur metafysische speculatie, een woordspelletje of een wiskundige puzzel. De normaalwetenschappelijke traditie die te voorschijn komt na een wetenschappelijke revolutie is niet alleen onverenigbaar maar vaak ook onvergelijkbaar met de ideeën uit het verleden.” (Th. S. Kuhn)

Het is niet zo dat een theorie in plaats van een andere treedt door op gegeven problemen een ander antwoord te geven. Een hele theorie zet zich door, doordat het hele probleemveld verschuift. Objectief gezien zijn opeenvolgende theorieën helemaal niet met elkaar vergelijkbaar, zoals Ptolemeus’ astronomie niet vergelijkbaar is met Darwins evolutieleer.

Normaal denkt men dat er op voorhand vaststaande wetenschappelijke problemen bestaan, wetenschappelijke methodes en standaards van betrouwbare wetenschappelijke oplossingen. Tussen de verschillende theorieën zou er wedijver bestaan om de gegeven problemen met de gegeven methodes volgens bepaalde gegeven oplossingsstandaards op te lossen. In feite zou het zo gaan, zoals Kuhn beschrijft, dat de verschillende theorieën hun eigen probleemvelden, methoden en standaards opdringen. Een theorie die daarin slaagt, voltrekt een wetenschappelijke revolutie. De gevolgen van deze stelling zijn echter rampzalig voor de wetenschappelijke objectiviteit.

Het paradigma van Galileï


Toen Galileï zijn ‘wet van de vrije val’ formuleerde, toch wel de eerste wiskundig geformuleerde ‘natuurwet’ in de moderne betekenis van het woord, had hij noch ‘uiteindelijk’ een oplossing gevonden voor een sinds lang gesteld en onopgelost probleem, noch een of ander vroeger voorgestelde verkeerde oplossing voor dat probleem tegengesproken en rechtgezet. Hij heeft veeleer een (correct) antwoord gegeven op een nieuwe vraag die in de natuurwetenschap van de oudheid en middeleeuwen nooit gesteld werd. De door Galileï bewerkstelligde wetenschappelijke revolutie, die aan de basis lag van onze moderne natuurwetenschap, berustte op de doorzetting van die nieuwe vraagstelling.

Aristoteles had gesteld: zware lichamen vallen vlugger dan lichte. Die stelling is blijven ‘gelden’ tot op Galileï. Daarentegen heeft Galileï de wet geformuleerd en experimenteel bewezen.

Op het eerste zicht hebben we twee duidelijk tegenovergestelde beweringen: volgens Aristoteles is de zwaarte doorslaggevend bij een valbeweging, volgens Galileï helemaal niet. Nu kan iedereen een eenvoudig experiment doen. Je neemt in je ene hand een licht voorwerp, bijvoorbeeld een blad papier, in je andere hand een zwaarder voorwerp, b.v. een boekje, je houdt ze allebei op gelijke hoogte en laat ze tegelijkertijd vallen; het zwaardere boekje zal natuurlijk vlugger op de grond belanden dan het blad papier. Aristoteles had dus gelijk. Galileï zou echter doen opmerken: mijn wet is een wet van de vrije val, de wiskundig nauwkeurige aanduiding van een wetmatige verhouding tussen tijden en afstanden bij een valbeweging in een luchtledige ruimte. Mij goed zou Aristoteles repliceren; maar ik dacht dat we enig begrip zouden moeten opdoen betreffende valbewegingen zoals die zich daadwerkelijk voordoen in de wereld waarin we leven, waar ze afhankelijk zijn van de weerstand van de lucht die we ademen, en wellicht ook nog van een opkomende wind. Dan weer Galileï: mij goed, maar over zo’n valbeweging in de gegeven aardse omstandigheden zal je nooit méér kunnen zeggen dan hooguit, in je vage aanduiding, dat je ‘zware’ voorwerpen ‘vlugger’ zullen vallen dan ‘lichte’; ik daarentegen geef je een nauwkeurig wiskundige verhouding tussen tijden en afstanden die we kunnen vaststellen daar waar de valbeweging niet gehinderd wordt door onze toevallige aardse omstandigheden. Prachtig zo’n wet, repliceert Aristoteles; maar wat beginnen we met een ‘wet’ die in feite door geen enkele valbeweging die we kunnen observeren nageleefd en ingevuld wordt? En Galileï: dat weet ik ook wel. Laten we echter beginnen met na te gaan of een valbeweging niet beantwoordt aan een nauwkeurige wetmatigheid, zoals ik heb gedaan, als we uiterlijke invloeden zoals luchtweerstand en weersomstandigheden uitschakelen. Onze volgende stap zal dan moeten zijn na te gaan volgens welke wetmatigheden de weerstand van lucht, water of wat dan ook de uitwerking van onze eerste wet zal wijzigen; en verder zullen we dan de wetmatigheden van de meteorologie moeten trachten te achterhalen die dan ook nog de uitwerking van de wetten van de aërodynamica zullen wijzigen.

Dit wetenschappelijk bewijs is empirisch en inductief, en dus niet rationeel en niet deductief. Inductie is als wetenschappelijk principe systematisch ingevoerd door Francis Bacon en is het vormen van algemene wetten op basis van een groot aantal individuele gevallen. Als Galileï zijn experiment bijvoorbeeld begonnen was met voorwerpen van metaal, kon hij het daarna proberen met voorwerpen van hout, klei, papier, enzovoort om te kijken of hij dezelfde resultaten kreeg. Dat is inductie: de bewering wordt onder allerlei nieuwe omstandigheden getest, en als daardoor niet de onjuistheid ervan wordt aangetoond, geldt dat tot op een zekere hoogte als bevestiging. De bewering zelf wordt over het algemeen een hypothese genoemd. Een hypothese waarvan de onjuistheid nog niet is aangetoond, wordt meestal een theorie genoemd. –En een theorie die waarschijnlijk nooit meer door experimenten op haar eigen niveau zal worden weerlegd maar hooguit nog zal worden aangevuld, wordt meestal een wet genoemd. Galileï ontdekte twee wetten van aardse bewegingen, Kepler vond drie wetten van planeetbewegingen en Newton voegde deze wetten samen en verenigde de aardse met de hemelse krachten: hij toonde aan dat het vallen van een appel naar de aarde (Galileï) op dezelfde manier verklaard kan worden als de bewegingen van de planeten rond de zon – namelijk door de gravitatie.

De essentie van de nieuwe ontwikkeling lag nog op een ander punt. Galileï en Kepler ontdekten dat een verandering in de fysische wereld altijd te maken heeft met een of andere verplaatsing in ruimte en tijd, die gemeten kan worden. Terwijl Aristoteles zich tot classificatie had beperkt, probeerden Kepler en Galileï metingen te verrichten. Het metingsproces was de enige objectief betrouwbare benadering van de natuur, en de daarmee verkregen getallen waren de sleutels tot de orde in de natuur.

De stellingen van Aristoteles en Galileï over de valbeweging zijn dus eigenlijk incommensurabel, ‘onvergelijkbaar’, zoals Kuhn het verwoordt m.b.t. van elkaar afwijkende paradigmata en op basis daarvan aanvaarde of afgewezen theorieën of hypothesen; wie van hen ‘gelijk’ heeft is uiteindelijk onbeslisbaar. Het is echter moeilijk, indien niet onmogelijk, alsnog vast te stellen door welk paradigma Aristoteles zich zou hebben laten leiden bij zijn stelling over de valbeweging; tenzij door de overtuiging dat een natuurwetenschap moest trachten te achterhalen welke de oorzaken waren van wat zich onmiskenbaar, in de alledaagse ervaring, ‘natuurlijk’, ‘feitelijk’ voordeed; wat echter niet zonder meer beantwoordt aan Kuhns begrip van een welbepaald paradigma. En Galileïs formulering van een ‘wet van de vrije val’ is enkel uitgegroeid tot een paradigma, hét paradigma van de moderne natuurwetenschap; waardoor we een begrip kunnen opdoen van de werkzaamheid van zo’n paradigma: onze gehele moderne natuurwetenschap ‘gaat terug op Galileï’, maar natuurlijk niet in die zin dat haar theorieën deductief zouden afgeleid zijn uit zijn – enigszins onbenullige – ‘wet van de vrije val’. Die wet werd echter tot voorbeeld, ‘paradigma’, voor het soort problemen dat men moest trachten op te lossen, voor de methodes die men moest aanwenden om ze op te lossen (experimentele methodes waarbij natuurlijk zich voordoende verschijnselen vervangen werden door kunstmatig voortgebrachte aflopen), en voor het soort oplossingen van problemen dat men moest trachten te vinden (wiskundig te formuleren wetmatigheden).

Daar heeft Thomas Kuhn veel van begrepen. Uitspreken (stellingen, hypotheses, theorieën) die over verschillende onderwerpen (of thema’s) dragen zijn uiteraard incommensurabel, niet met elkaar te vergelijken of tegen elkaar af te wegen. Slechts in een heel ruime of heel vage zin hadden het Aristoteles en Galileï met hun aangehaalde uitspraken over ‘hetzelfde’: een valbeweging. Dat kon de schijn verwekken dat beider uitspraken met elkaar konden en moesten worden vergeleken. In feite waren het onderwerp van Aristoteles’ uitspraak valbewegingen die zich feitelijk in ons leefmilieu plegen voor te doen, en was Galileï op zoek naar valbewegingen onder zodanige voorwaarden dat erin een wiskundige wetmatigheid kon onderkend worden. In elk gegeven geval is de vraag naar ‘objectieve waarheid’ gewoon onbeslisbaar als niet tevoren ‘beslist’ is met welke zaak, feiten of realiteit de desbetreffende uitspraak moet overeenstemmen; of iets anders uitgedrukt, ‘objectief’ is het geval ‘Aristoteles versus Galileï onbeslisbaar; de beslissing kan enkel vallen, en moet vallen, op het vlak van de thematiek of een bepaling van het onderwerp.

vrijdag 6 februari 2009

Bewustzijn en fysica (3) De vinger die naar de maan wijst


Capra benadrukt dat de moderne fysica steeds meer laat zien hoezeer het universum een eenheid vormt, waarin alles op elkaar betrokken is. Het universum kan niet langer worden voorgesteld als een verzameling losse materiële deeltjes. Deeltjes bestaan niet op zichzelf, maar vormen een web van onderlinge relaties, waarschijnlijkheidspatronen. In het ‘hadron bootstrap’-model wordt aangenomen dat ieder deeltje bestaat uit alle andere deeltjes. Er is een verschuiving van objecten naar ‘gebeurtenissen’ en processen. Capra ziet het universum als een ‘kosmische dans van energieën en golven’, in een eindeloos proces van ontstaan en vernietiging van deeltjes.

Theoretische fysici zoals Murray Gell-Man menen dat met de superzwaartekracht-theorie de natuurkunde in principe afgerond is. Nu is dit misschien te voorbarig (Marcelin Berthelot schreef in 1887 ook al ‘Het heelal kent voortaan geen geheimen meer’), maar niettemin zou dit erop kunnen wijzen dat de fysica aan een grens is gekomen, waarbij de grenzen tussen geest en materie, en dus ook tussen fysica en psychologie, vervagen en de fysica raakt aan de metafysica: het Zijn. Een verdere ontwikkeling van de fysica zal het bewustzijn moeten insluiten, zoals met name Arthur Eddington en Eugene Wigner menen. De klassieke fysica zag het meest belangrijke aspect van kennis – de kenner – over het hoofd. In de revolutionaire theorie van Bohm speelt inderdaad ook het bewustzijn een rol. In de gedurfde theorieën van Michael Talbot wordt het bewustzijn als een veld beschouwd dat de kwaliteit heeft om de werkelijkheid te structureren. Het is met alle andere velden verbonden. Net als Pribram gebruikt Talbot het hologram als model voor de structuur van het bewustzijn en van het universum. Een andere theorie is afkomstig van E.H. Walker, die het bewustzijn de plaats geeft van ‘verborgen variabele’ bij quantummechanische procesen in de hersenen. Via de zintuigen staat dit systeem in verbinding met quantumprocessen in de buitenwereld.
De resultaten van de moderne fysica mogen dan zeer indrukwekkend zijn, maar we moeten niet vergeten dat het hier slechts – zoals bij alle wetenschap – om theorieën, modellen, begrippen gaat, die slechts een beeld van de werkelijkheid geven en die niet mogen worden verward met de werkelijkheid zélf. Alfred Korzybski, grondlegger van de algemene semantiek, wees reeds op deze verwarring van taal en werkelijkheid. De landkaart is niet hetzelfde als het gebied dat zij beschrijft. Zoals het Zen-boeddhistisch gezegde: ‘de vinger die naar de maan wijst is de maan niet.’ Ook de fysicus Arthur Eddington wijst hierop. Wetenschap kan slechts ‘symbolische’ kennis verschaffen, maar daarnaast, erkent Eddington, ook een ‘intieme’, directe vorm van kennis. Om de uiteindelijke werkelijkheid zélf te leren kennen is een andere vorm van kennis nodig en wel zelfkennis, die uitmondt in een kennis van het universele Zelf, het ene Zijn. Dan blijkt inderdaad dat de ‘bodem’ van de materie – de buitenwereld – dezelfde is als de ‘bodem’ van de geest – de binnenwereld.

Bewustzijn en fysica (2) Quantumtheorie en quantumveld


Licht – algemeen als golfverschijnsel beschouwd – blijkt zich onder bepaalde omstandigheden als deeltjes te gedragen, en omgekeerd, elektronen – altijd als deeltjes beschouwd – als een golfverschijnsel. Het hangt af van de inrichting van het experiment – dus van de vraagstelling van de onderzoeker – hoe ze zich gedragen. Dit verschijnsel – dat een realiteit zich voordoet onder twee verschillende, elkaar schijnbaar uitsluitende vormen – wordt het complementariteitsbeginsel van Bohr genoemd.

In de quantummechanica kunnen elementaire deeltjes zoals elektronen alleen nog maar adequaat worden beschreven met abstracte mathematische golffuncties. Men kan niet met absolute zekerheid zeggen waar een deeltje zich bevindt, maar alleen de waarschijnlijkheid berekenen dat het zich op een bepaalde plaats bevindt. Dit hangt samen met de onzekerheidsrelatie van Heisenberg, volgens welke het principieel onmogelijk is om tegelijk plaats en snelheid van een deeltje nauwkeurig te meten. De nauwkeurigheid in de plaatsbepaling gaat ten koste van de nauwkeurigheid in de snelheid en omgekeerd.

De belangrijke filosofische consequentie hiervan is dat het feit van de waarneming (meting) de toestand van het waargenomene beïnvloedt, ofwel dat subject en object niet strikt van elkaar te scheiden zijn! Anders gezegd: de waarnemer is essentieel; het is niet zo dat er een materiële werkelijkheid is die onafhankelijk van de waarnemer bestaat. In de moderne fysica is de onderzoeker geen neutrale toeschouwer meer, maar medespeler. De splitsing van subject en object, die teruggaat tot Descartes, is niet langer houdbaar.

“De oude indeling van de wereld in een objectieve afloop in ruimte en tijd aan de ene kant en de ziel, waarin zich deze afloop spiegelt, aan de andere kant, dus de Cartesiaanse onderscheiding van res cogitans en res extensa, is niet meer geschikt als uitgangspunt voor begrip van de moderne natuurwetenschap.”

[W. Heisenberg, Das Naturbild der heutigen Physik]

De quantumfysica betekende ook een aanval op het determinisme, omdat zij slechts waarschijnlijkheden gaf. Einstein verzette zich tegen deze gedachte en was ervan overtuigd dat er ‘verborgen variabelen’ moesten meespelen. ‘God dobbelt niet’ is zijn beroemde uitspraak. In 1935 bedacht hij met twee medewerkers, Podolski en Rosen, een gedachtenexperiment dat de onjuistheid van de quantumfysica moest aantonen. Hierin gingen zij uit van twee verbonden deeltjes, die zich door een gebeurtenis van elkaar verwijderen. Ze hebben een tegengestelde spin (draairichting). Als nu door een gebeurtenis de spin van een van de deeltjes verandert, dan verandert op hetzelfde moment de spin van het andere deeltje, ook al zouden ze miljoenen kilometers van elkaar verwijderd zijn. Ze zouden dus ‘weet’ hebben van elkaar! Einstein bestreed dit. Het experiment kon pas vele jaren later worden uitgevoerd en stelde Einstein in het ongelijk.

Rond 1970 kon men alle natuurwetten terugbrengen tot vier basiskrachten, te weten de zwaartekracht, de elektromagnetische kracht, de zwakke kracht, die protonen en neutronen in de kern van het atoom bindt en de sterke kracht, die de quarks bij elkaar houdt. Via verschillende tussenstappen is men er uiteindelijk in geslaagd om deze vier krachten terug te brengen tot één principe, en wel in de zogenaamde ‘superzwaartekracht-theorie’. Hierin gaat men uit van een alomtegenwoordig, tijdloos quantumveld dat zowel deeltjes creëert als vernietigt. Dit wordt beschouwd als het diepste niveau van de materiële werkelijkheid. Uit dat veld kunnen namelijk in principe alle fysische verschijnselen worden afgeleid. Het kan worden omschreven als een vacuüm, echter een vacuüm dat niet ‘dood’ is, maar dat in elk punt een onbegrensde hoeveelheid potentiële energie bezit. Door fluctuaties in het veld kunnen deeltjes ontstaan, die slechts discrete niveaus van energie kunnen hebben (vandaar de benaming quantumveld). Elk deeltje is een ‘excitatie’ van het vacuüm.

“Het vacuüm is waarschijnlijk een “levende leegte”, die pulseert in eindeloze ritmes van schepping en vernietiging. De ontdekking van de dynamische kwaliteit van het vacuüm wordt door vele natuurkundigen als een van de belangrijkste bevindingen van de moderne fysica beschouwd.”

[Fritjof Capra, The Tao of Physics]

Bewustzijn en fysica (1) impliciete orde


Fritjof Capra is beroemd geworden door zijn bestseller The Tao of Physics (1975), waarin hij wijst op de parallellen die er lopen tussen de nieuwste theorieën van de natuurkunde en inzichten uit de oosterse filosofie, zoals taoïsme, boeddhisme en hindoeïsme. Het is inderdaad frappant dat de vacuümtoestand van de fysici opvallend veel overeenkomst vertoont met de toestand van ‘leegte’ die vele mystici hebben ervaren, een leegte die tegelijkertijd een volheid is, omdat zij de bron van alle bestaan is. De vraag rijst dan ook of fysici en mystici uiteindelijk niet spreken over dezelfde realiteit, zij het dat zij die benaderen langs totaal tegenovergestelde wegen: de fysicus door de grondslag van de materiële werkelijkheid te zoeken – via abstracte wiskundige theorieën – en de mysticus door in zijn eigen innerlijk af te dalen.

De fysicus John Hagelin, die onder andere werkte bij de CERN en het SLAC (twee bekende centra voor deeltjesonderzoek) meende dan ook, op grond van een vergelijking van de eigenschappen van het verenigd veld van de natuurkunde en van de hoogste staat van bewustzijn, de identiteit van beide te mogen postuleren. Zo hebben beide bijvoorbeeld een volmaakte ordelijkheid en zijn zij beide zelf-refererend. In de vedische wetenschap waarbinnen Hagelin ook werkt, spreekt men van het niveau van het Zijn als grondslag van al het bestaan, het ‘veld van alle mogelijkheden’, ‘het tehuis van alle natuurwetten en alle kennis’, dat niet slechts een hypothese is, maar door middel van meditatie rechtstreeks te ervaren is.

De eminiente fysicus David Bohm spreekt hier van een impliciete orde die zich kenmerkt door heelheid en die zich ontvouwt in de expliciete orde die wij met onze zintuigen kunnen waarnemen. De impliciete orde ziet hij als primair, de expliciete orde als een afgeleide orde. Bohm’s theorie, die overigens niet gemakkelijk is, is om meer dan één reden belangrijk. Zo werpt zij een nieuw licht op de verhouding van geest en materie, een probleem dat filosofen en wetenschappers al eeuwenlang bezighoudt. Verschillende energievormen als licht en geluid vouwen doorlopend informatie in. Deze informatie betreft in principe het hele universum. Via de zintuigen bereikt deze de hersenen. Zo houdt de materie van ons lichaam – de hersenen – het universum ingevouwen, zoals ook neuropsycholoog Karl Pribram stelt in zijn holografisch model van het bewustzijn. Bohm ziet nu geen causale wisselwerking tussen geest en materie, maar stelt dat ‘de bewegingen van beide de uitkomst zijn van verbonden projecties van een gemeenschappelijke hoger-dimensionale grond’. In deze gemeenschappelijke grond overheerst de impliciete orde. Overigens doet dit concept denken aan het begrip ‘substantie’ van de zeventiende-eeuwse filosoof Spinoza, die leerde dat geest en stof attributen zijn van één substantie, die hij gelijk stelde aan een onpersoonlijke God of Natuur.

David Bohm


Ook vanuit het model van het vacuümveld komt de verhouding van subject en object in een nieuw licht te staan. Men neemt aan dat in dit superveld materiedeeltjes en velddeeltjes ontstaan via het mechanisme van spontane symmetriebreking. Op een soortgelijke wijze kan men zich voorstellen dat in het ene Zijn – dat tevens Bewustzijn is – een splitsing van subject en object plaatsvindt; en dat daarmee gedachten mogelijk worden. De vraag rijst dan of men niet omgekeerd de eenheid van subject en object kan herstellen, en daarmee een direct contact met het Zijn, het Absolute kan realiseren. Pribram is inderdaad van mening dat mystici erin slagen om een directe toegang tot de impliciete orde te hebben.

zondag 28 december 2008

Het sprookje wetenschap


Vele filosoferende natuurwetenschappers schakelen het machtsweten van de natuurwetenschap gelijk met waar weten, met de waarheid. Maar macht en waarheid zijn relaties die elkaar uiteindelijk uitsluiten. De termen waarin Francis Bacon zijn nieuwe empirische onderzoeksmethode bepleitte hadden niet alleen een hartstochtelijk maar vaak ook een uiterst boosaardig karakter. Volgens zijn opvattingen moest “de natuur worden opgejaagd in haar zwerftochten”, “tot dienstbaarheid worden geknecht” en zelfs “tot slavin gemaakt”. Ze moest “gevangen worden gezet”, en het doel van de wetenschapper was om “haar geheimen door middel van marteling aan de natuur te ontrukken”. Veel van deze gewelddadige beelden schijnen te zijn geïnspireerd door de heksenprocessen, die in de tijd van Bacon veelvuldig werden gehouden. Als procureur-generaal van koning Jacobus I was Bacon uiteraard nauw bij al die vervolgingen betrokken. Omdat de natuur algemeen als vrouwelijk werd beschouwd, is het niet verwonderlijk dat hij die beeldspraak van de gerechtszalen naar zijn wetenschappelijke geschriften overbracht. Het beeld dat hij schetst – de natuur als een vrouw die met mechanische middelen moet worden gemarteld om haar geheimen prijs te geven – wijst inderdaad sterk in de richting van het in de 17de eeuw zeer algemeen voorkomende martelen van vrouwen in de heksenprocessen. (Cfr. Carolyn Merchant, The Death of Nature).


Waarheid laat de eigen ‘wet’, het eigen recht van het tegengestelde tot gelding en tot erkenning komen. Machtrelaties leggen het tegengestelde slechts de eigen wil op en de wet van de heer. Het machtsweten van de mathematisch-experimentele natuurwetenschap maakt reeds vanuit de kennisbedoeling en vanuit de vorm van haar taal abstractie van alle vragen der waarheid, die een ‘goed leven’ betreffen. Het staat onverschillig tegenover de levensinteressen van de mensen en van de natuur. Deze abstractie van de eigenlijk belangrijke thema’s der mensen, die reeds in de logica van deze wetenschap is voorbereid, werd ongelukkig genoeg ook institutioneel ‘verzekerd’. Bij de stichting van de instituten in de 17de eeuw moest de nieuwe wetenschap zich verplichten zich niet te mengen in vragen der theologie, der metafysica, der moraal of der politiek.

Zo werd door de kennistheoretische en sociale constructie van deze wetenschap vastgelegd dat ze slechts abstract machtsweten voortbrengt dat manipuleerbaarheid en klaarmaking bedoelt en niet waarheid. Door dit weten wordt uitsluitend de berekenbare manipuleerbare ruimte vergroot en niet het weten over het ‘goede leven’. Daarom zij ook raketten het veruit meer waarschijnlijke en logische product van deze wetenschap dan bijvoorbeeld communicatiewetten ter vergroting van de vredesbekwaamheid van de mensen. Dat is ook niet haar ‘object’, zal misschien worden opgeworpen. Dat is inderdaad niet haar object. Telegeleide instrumenten met kosmische vernietigingskracht zijn daarentegen ‘ideale’ objecten van het natuurwetenschappelijk onderzoek. Kort na de eerste wereldoorlog schrijft de filosoof en mathematicus Bertrand Russell:

“De wetenschap werd tot op heden voor drie verschillende doeleinden toegepast: om de totale productie van consumptiegoederen te verhogen; om de vernietigende werking van de oorlog te vermeerderen en om genoegens die een artistieke of hygiënische waarde hadden, door triviale te vervangen.”
(Bertrand Russell, The culture of industrialisation and its future.)

Vanuit het heden gezien is voor alle drie door Russell genoemde’toepassingsdoeleinden’ van de wetenschap de grote stoot pas met en na de Tweede Wereldoorlog gekomen. Vooral de verstrengeling van wetenschap en krijgswezen en het op wetenschappelijk fundament berustend vernietigingspotentieel van de ‘wapens’ zijn sedertdien toegenomen. Een raket die ‘onverbiddelijk’, dus zonder in de doorvlogen ruimte geïrriteerd te worden, precies stuurbaar is naar een op voorhand berekend doel en daar kosmische krachten vrijmaakt, zulk een machtig instrument hoort helemaal boven op de lijst van die producten die met de logica van de natuurwetenschap als gerealiseerd, geproduceerd resultaat ideaaltypisch overeenstemmen. Niet toevallig koos Carl Friedrich von Weizsäcker een telegeleide ruimteraket als voorbeeld voor de bewonderenswaardige prestatie van de natuurwetenschap:

“Wanneer men over bijna 400 miljoen kilometer (de duizendvoudige afstand tot de maan) een instrument op Mars zachtjes kan doen landen, zijn bewegingen over deze afstand kan sturen en de opgenomen foto’s kan ontvangen dan is dat een indrukwekkend bewijs van de macht van de natuurwetenschap die op haar waarheid berust.”
(Carl Friedrich von Weizsäcker, Der Garten des Menschlichen)

Ware kennis over de natuur zal deze wetenschap van de natuur reeds wegens haar fundamenteel vals natuurbegrip nooit verwerven. Ze beschouwt de natuur als louter manipulatieobject, als grondstof, die in willekeurige fragmenten kan worden uiteengeslagen, om ze dan in een totaal beheersbare, dode machinewereld te transformeren. Maar de natuur is niet deze steengroeve, dat wisten voorwetenschappelijke culturen zeer precies. Maar de ‘superioriteit’ van onze cultuur berust wezenlijk op onze betere dodings- en onderdrukkingsinstrumenten:

“Een faire concurrentie tussen het gehele westerse denken en buiten-Europese mythen en kosmologieën is er nooit geweest. Deze ideeëngroepen en de ermee verbonden praktijken (geneeskunde, bijvoorbeeld) verdwenen niet omdat de Europese wetenschap beter was, maar omdat de Europese soldaten betere veroveraars waren. Men heeft niet onderzocht, men heeft niet vergeleken. Men heeft gekoloniseerd en de ideeën van de gekolonizeerde naties onderdrukt.”

(Paul Feyerabend, Das Märchen Wissenschaft)

zaterdag 27 december 2008

Als een vogel in een luchtpomp

Het experiment met de vogel in de luchtpomp,
schilderij van Joseph Wright of Derby, 1768.

Natuurfilosofie en natuurkunde werden in Engeland niet alleen in de grote academische centra bedreven, maar ook op kleinere academies zoals de ‘Lunar Society’ waarin zich aanhangers van het deïsme en progressieve leden van de evangelische gemeenten aaneensloten die niet tot de staatskerk behoorden. Hier werd in private studiekringen waarvan Joseph Wright lid was, bediscussieerd en geëxperimenteerd; uit deze context is het onderwerp van het schilderij afkomstig. In overeenstemming met het verlichtingsdenken verbindt Wright natuurkunde, antropologie en psychologie met elkaar. Hij beeldt verschillende leeftijdsstadia uit en de verschillende emotionele reacties op het experiment, waarbij in een glazen buis een vacuüm wordt gemaakt waardoor de vogel tijdelijk geen adem meer kan halen en niet meer kan vliegen. In de manier waarop hij het licht gebruikt, refereert de schilder waarschijnlijk aan de geboorte van Christus en ensceneert op deze manier een spanningsveld tussen religie en moderne wetenschap.
Het type van onze huidige wetenschap van de natuur, de mathematisch-experimentele natuurwetenschap, heeft zich historisch ontwikkeld uit twee zeer verschillende takken van menselijke activiteiten: uit een filosofisch-ideële en uit een ervaringsbetrokken-zintuiglijke tak.De filosofisch-ideële tak is de historisch oudere, en hij bepaalt tot op heden de abstracte, niet-zintuiglijke kant van deze wetenschap.Op grondslag van filosofisch-theologische oorsprongen ontwikkelde zich de natuurwetenschap van de moderne tijd als het zoeken naar het verborgen proces van de natuur. Het is een zoeken naar principes, naar esthetische eenvoudige, harmonische structuren achter de verschijningen: een zoeken naar het ‘bouwplan van god’. Nog in onze dagen formuleert een bekende fysicus:

“De belangrijkste geloofstelling van de natuurwetenschap zegt dat de fysicalistische wereld volgens een logische en allesomvattend plan werd geschapen. Derhalve verwachten wij dat al onze waarnemingen, hoe samenhangsloos ze ons ook maar kunnen verschijnen, volgens dit schema moeten samenhangen.”
(Kurt Mendelssohn: Die Suche nach dem absoluten Nullpunkt)

Het goddelijk plan, waarnaar in de natuur werd gezocht kon slechts een goddelijke vorm hebben. De minst van al door aardse bijmengingen verontreinigde ‘geestelijke’ vormen waren geometrische figuren en de wereld van de getallen. De vorm van het verborgen goddelijk plan in de natuur kon dus slechts mathematisch zijn, wat reeds Galileo Galilei, de ‘vader’ van de moderne natuurwetenschap, in 1632 nadrukkelijk beklemtoonde:

"het boek van de natuur ‘is in mathematische taal geschreven, en de letters zijn driehoeken, cirkels en andere geometrische figuren, en zonder deze hulpmiddelen is het mensenonmogelijk ook maar een enkel woord ervan te begrijpen."

Er werd dus gezocht naar de eenvoudige mathematisch beschrijfbare wetmatigheden. ‘Gevonden’ werden deze mathematische regelmatigheden evenwel niet op de aarde, maar in de hemel, in de loop van de planeten. Het samenspel van krachten, massa’s en zich continu herhalende bewegingen der planeten bleek goed beschrijfbaar door middel van eenvoudige mathematische wetten. Op deze wijze werd de ‘belangrijkste geloofsstelling van de natuurwetenschap’ indrukwekkend bekrachtigd. De kosmologie verkreeg voor de nieuwe wetenschap van de natuur een duidelijk exemplarisch karakter, een paradigmatische betekenis.De aardse gebeurtenissen in de natuur evenwel waren weinig geschikt tot het ‘vinden’ van eenvoudige mathematische principes. Ze waren veel te complex in hun wederzijdse beïnvloeding, veel te ‘verontreinigd’ en gestoord door allerlei toevalligheden en oneffenheden. Om ook op de aarde ‘hemelse’ wetmatigheden te ontdekken moesten ze door experimentele schikking pas worden gemaakt. Daarvoor moesten alle storende invloeden worden geëlimineerd, om alleen het ‘zuivere geval’ van de gezochte wetmatige samenhang voor ogen te hebben. Om bijvoorbeeld de valwet te ‘vinden’ moeten alle natuurlijke voorwaarden zoals luchtweerstand, wind of invloed van lichamelijke vormen als storende invloeden worden geweerd. De experimentele natuurwetenschapper ontbindt (analyseert) de aangetroffen veelvuldigheid der samenhangen in de natuur en voegt ze weer op zulke manier te samen (synthetiseert ze) dat ze gehoorzamen aan het gezochte eenvoudige mathematische principe. De analytisch-synthetische natuurwetenschap brengt door de experimentele situatie een samenhang der natuur voort, die via de alleen toegelaten grootheden van buiten uit door de experimentator wordt gestuurd. Deze machtgevende greep van de mathematisch-experimentele natuurwetenschap op de natuur, die door de experimentele schikking gebeurtenissen op zulke wijze isoleert dat ze van buiten uit stuurbaar in gewenste banen aflopen, slaagt alleen door de radicale uitschakeling van ‘storende factoren’.
Deze insnoering van de realiteit tot op enkele mathematisch reconstrueerbare principes wordt door Lewis Mumford zo becommentarieerd:

“Galilei’s ‘werkelijke misdaad bestond in het feit dat hij de totaliteit van de menselijke ervaringen – niet alleen de geaccumuleerde dogma’s en doctrines van de kerk – ruilde voor dit onbeduidend deeltje dat in een beperkte levensspanne geobserveerd en in begrippen van massa en beweging kan worden geïnterpreteerd…”
(Lewis Mumford, The Myth of the Machine.)

Natuurwetenschappelijke realiteit, de natuur van de natuurwetenschap, is dus een volgens principes geconstrueerde, gereduceerde realiteit. Deze klaarmaking van de natuur in het kleine door de mathematisch-experimentele constructie wordt tot klaarmaking van de natuurstof in het grote, zodra op basis van talloze wetenschappelijke experimenten een wetenschappelijke technologie op grote schaal ontwikkeld wordt. Zoals in het natuurwetenschappelijk experiment het beheersingsmotief dat alle weerbarstige ‘eigenzinnigheid’ effent en uitschakelt, de leiding van de kennis heeft, zo is ook de hierop steunende technologie een zuivere beheersings- en uitbuitingstechnologie, een oorlogstechniek tegen de natuur. In die technologie wordt geen poging ondernomen om bij de mogelijke ‘vrijwillige medewerking’ van de natuur aan te knopen, en een ‘eigen recht’ van de natuur aan gene zijde van de doelstellingen van de mensen is alleen reeds categoriaal voor dit wetenschaps- en technologietype geen thema. Ernst Bloch vat het beheersings- en uitbuitingskarakter van de moderne technologieën in het volgende beeld samen:

“onze huidige techniek staat in de natuur zoals een bezettingsleger in vijandig gebied, en van het binnenland weet het niets…”
(Ernst Bloch, Das Prinzip Hoffnung)

Schreef niet Lewis Mumford dat de megatechnics berusten op verkeerde veronderstellingen, zodat niet alleen Karl Marx zich vergiste door de materiële basis en de omwentelende productie de centrale plaats te geven in het verhaal van de menselijke ontwikkeling en de vooruitgestelde emancipatie van de creativiteit, maar ook Teilhard de Chardin er glad naast zat? Immers de Chardin las, volgens Mumford, in de gescheidenis van de mens het enge technologische rationalisme van de laatste 200 jaar en projecteerde het in de vooruitstelling van een ultieme toestand waarin alle menselijke bekwaamheden een zalig einde zouden bereiken. Dit ‘punt omega’ zou niets heel laten van ’s mensens zelfstandige en oorspronkelijke natuur. In ‘omega’ is slechts plaats voor de synthese der synthesen, voor de ultiem georganiseerde intelligentie die een en onverdeeld zal zijn als een universele en almachtige geestelijke Leviathan, loveless and lifeless. Lewis Mumford zegt:

“My purpose in this book is to question both the assumptions and the predicitions upon which our commitment to the present forms of technical and scientific progress, treated as if ends in themselves, has been based. I shall bring forward evidence that casts doubts upon the current theories of man’s basic nature which overrate the part that tools once played – and machines now play – in human development. I shall suggest that not only was Karl Marx in error in giving the material instruments of production the central place and directive function in human development, but that even the seemingly benign interpretation of Teilhard de Chardin reads back into the whole story of man the narrow technological rationalism of our own age, and projects into the future a final state in which all the possibilities of human development would come to an end. At that ‘omega-point’ nothing would be left of man’s autonomous original nature, except organized intelligence: a universal and omnipotent layer of abstract mind, loveless and lifeless.”
(Lewis Mumford, The myth of the machine)

Mumford was een te uitgesproken criticaster van het technologisch rationalisme en zag te goed het verre spoor van de vernietiging dat met de ‘megatechniek’ samengaat, om op zijn beurt niet het goed onderhouden bedrog te zien. Volgens hem bestond het erin te doen geloven dat de mens naast Homo Sapiens ook Homo Faber was, en dus in elk geval steeds de verredelijkte vereniging van de Sapiens en de Faber: de mens van het weten en van het maken. Dat is precies de leugen, aangezien er niets uitzonderlijks is aan de combinatie van weten en maken in het geheel van de dierenwereld. Niet alleen de menselijke soort verenigt het weten en het maken. Heeft de menselijke soort niet lang voordat zij de kracht en de machten ontwikkelde om de natuurlijke omgeving te transformeren, kleinschalige sociale omgevingen ontwikkeld waarin de symbolisering van de menselijke existentie centraal stond? En resulteerde die symbolisering niet op de eerste plaats uit de spel-relatie met de natuurlijke omgeving om uit te monden in cultische gedragingen zoals mimesis, wedstrijden, dodenriten, dansen, socio- en psychodrama’s, enz.? Niet alleen en hoofdzakelijk de Sapiens gekoppeld aan de Faber, maar zeker ook de Homo Ludens!

De vlinder van het denken


"Hij heeft het punt van Archimedes gevonden,
heeft deze echter tegen zichzelf gebruikt;
blijkbaar heeft hij het slechts onder deze voorwaarde mogen vinden."

(Franz Kafka)

De Franse wetenschapsfilosoof, Michel Serres, herinnert in zijn essay, Le Contrat Naturel, aan de vlinder van Swift. Die flappert ergens in de wereld met zijn vleugels, waardoor, twee eeuwen later, elders in diezelfde wereld een wilde orkaan wordt ontketend. Precies zo, beweert Serres, is de menselijke persoon die met en door zijn denken aan de basis ligt van de kennis der wetenschappen. Hij is een onderdeel van een keten met wereldwijde vertakkingen. En hij besluit:

"Heel de geschiedenis van de wetenschappen heeft als doel de in hoge mate onwaarschijnlijke keten die de vlinder van het denken verbindt met de orkaan van gevolgen constant te houden, te controleren, en te disciplineren."
(Michel Serres, Le Contrat Naturel)


Om dat te realiseren werd een globaliserende controle-organisatie van de wetenschappelijke kennis in het leven geroepen waaraan geen mens ontsnapt. Er bestaat een immanente behoefte aan een bijzondere ‘Leviathan’, die het domein van de wetenschappelijk-technische kennis moet en kan disciplineren ter bezwering van de angsten en ter bevrediging van de verlangens binnen dat domein. Deze bijzondere ‘Leviathan’, het orde-systeem van het menselijk denken, fungeert bovendien slechts als een onderdeel van een grotere ‘Leviathan’, aangezien de gedisciplineerde organisatie van de kennis der wetenschappen deel uitmaakt van de algehele gedisciplineerde organisatie van de angstenbezwering in het brede maatschappelijke en dus politieke verband. Serres is niet de eerste die waarschuwt voor die bijzondere ‘Leviathan’ (de georganiseerde wetenschappelijke en technische arbeid) werkzaam binnen de onduidelijke grenzen van die omvattender ‘Leviathan’ die de staat is. Het onderwerp van de kennis der wetenschappen kan minder teruggebracht worden tot een gemeenschappelijke ‘taal’ die de wetenschappelijke onderzoekers met elkaar verbindt en waarbinnen zij existeren, dan tot wat achter die ‘taal’ schuil gaat: nl. een verzwegen en stabiel contract waaraan iedereen gehoorzaamt.
De naam ‘Leviathan’ voor het orde-systeem van het menselijk denken, verwijzend naar de Leviathan van de Engelse filosoof Thomas Hobbes is zeker niet toevallig. Juist in het werk van Thomas Hobbes, Leviathan (1651), wordt het duidelijkst een ideaalbeeld van onbaatzuchtig en alles-ordenend wetenschappelijk denken getekend. Dit is gesitueerd binnen de verdediging van een uitdrukkelijk maatschappelijk kader: orde, consequente organisatie en controle. Maar het manifeste en door Hobbes uitgesproken doel van de Leviathan was ook de bezwering van de angsten. Het betrof zowel de angsten die ontstaan naar aanleiding van de steeds maar voorthollende menselijke verlangens, als de angsten die ontstaan omtrent een ‘wild’, d.w.z. niet gedisciplineerd denken. Was het niet precies over die laatste angst dat Michel Serres het had, wanneer hij zei, dat de ganse geschiedenis van de wetenschappen als doel heeft de in hoge mate onwaarschijnlijke keten die de vlinder van het denken verbindt met de orkaan van gevolgen te controleren en aan banden te leggen?