Posts tonen met het label Aphorisms and thoughts. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Aphorisms and thoughts. Alle posts tonen

zaterdag 28 maart 2009

Schaterlach


“Terwijl de cynicus melancholiek-verachtelijk glimlacht, vanuit de hoogte van de macht en haar desillusies, is het kenmerkend voor de kynicus om zo luid en ongegeneerd te lachen dat keurige mensen het hoofd schudden. Hun lachen komt uit hun buik, het heeft een animale grondslag en is ongeremd. Wie beweert realist te zijn, zou eigenlijk zo moeten kunnen lachen – die totale, bevrijdende schaterlach die schoon schip maakt met illusies en poses. Zo moeten we ons het lachen van de grote satiricus Diogenes voorstellen. Ook het gezicht van sommige lachende Boeddha’s heeft iets van die animale en zowel extatische als realistische buiklach die zichzelf zo volkomen vergeet dat er geen ik meer is dat lacht, maar alleen een vrolijkheidsenergie die tot leven komt. Wie te beschaafd en vreesachtig is in zijn gevoelens, krijgt gemakkelijk de indruk dat een dergelijk lachen iets demonisch heeft, iets duivels, onserieus, destructiefs. Men moet hier heel nauwkeurig luisteren. De duivelse lach bevat de energie van het destructieve, de scherven rinkelen en de muren storten in, het is een boosaardige schaterbui over de puinhopen. Het positieve, extatische lachen daarentegen vertoont de energie van een ja-zeggen buiten zichzelf, het klinkt ondanks alle woeste geluiden contemplatief, er wordt iets gevierd. Het is ook geen toeval dat men vaker vrouwen zo hoort lachen dan mannen, en eerder dronken mensen dan nuchtere. De duivelse energie lacht de anderen dood. In het lachen van Diogenes en Boeddha lacht het eigen ik, dat alles zo serieus had genomen zich kapot. Daarvoor is natuurlijk een grote bek nodig, die zich ongeremd wijd laat openen, niet voor grootse uitspraken, maar voor een krachtige uiting van leven. Daarin zit eerder verbazing dan gewichtigdoenerij. De grote bek die de filosoof interesseert is niet actief, maar passief, het aaah-zeggen bij vuurwerk of een bergketen of een gedachte waarbij een aha! door ons heen flitst. Bij belangrijke ontdekkingen zou men een kreet willen slaken, en wat is het loslaten van verkeerde complicaties anders dan een grote ontdekking?”

[Peter Sloterdijk, Kritik der zynischen Vernunft]

Verbitterde lippen



“De levenservaring van de slachtoffers blijkt uit hun verbittering. Hun lippen beelden een bitter zwijgen uit. Hun zal niemand meer iets wijs maken. Zij weten hoe de wereld in elkaar zit. Wie bewust teleurgesteld is, verovert misschien zelfs een kleine voorsprong op het noodlot, een marge voor zelfhandhaving en trots. De lippen die stevig opeengeklemd zijn en een smalle streep vormen, verraden de mensenkennis bij de bedrogenen. Soms hebben kinderen die door het leven teleurgesteld zijn al van die verbitterde smalle mondjes waaraan men zo moeilijk nog enige instemming met iets goeds kan ontlokken. Wantrouwen is de intelligentie van de benadeelden. Gemakkelijk wordt de wantrouwende mens echter tot domoor wanneer zijn verbittering het hem ook onmogelijk maakt te genieten van wat hem na al die pijn goed zou doen. Geluk zal er altijd uitzien als bedrog en zo goedkoop lijken dat men niet de moeite neemt het te grijpen. Door hun ervaringen uit het verleden weten de cynisch verbitterde lippen maar één ding: dat uiteindelijk alles toch bedrog is, en dat niemand hen ertoe zal brengen teergevoelig te worden en zich met het achterste van hun tong uit te leveren aan enige verlokking door de wereldwijde zwendel.”

[Peter Sloterdijk, Kritik der zynischen Vernunft]

Ondeugden en de pauzen


"Pour manier les hommes, il faut pratiquer leurs vices et en rajouter. Voyez les papes : tant qu'ils forniquaient, s'adonnaient à l'inceste et assassinaient, ils dominaient le siècle ; et l'Église était toute-puissante. Depuis qu'ils en respectent les préceptes, ils ne font que déchoir : l'abstinence, comme la modération, leur aura été fatale ; devenus respectables, plus personne ne les craint. Crépuscule édifiant d'une institution."
[Emile Michel Cioran, Syllogismes de l'amertume]

« Om over de mensen te regeren moet men hun ondeugden bedrijven en er een schepje bovenop doen. Kijk maar naar de pauzen – toen die nog van bil gingen, zich overgaven aan incest en moordden, domineerden zij hun tijd, en was de Kerk almachtig. Sinds zij de morele voorschriften van de kerk respecteren doen zij niets anders meer dan ontgoochelen; de onthouding en de moderatie zullen hun fataal zijn, eens respectabel geworden vreest niemand hen nog. Stichtende deemstering van een instituut.”
[Emile Michel Cioran, Syllogismes de l’amertume]

vrijdag 27 maart 2009

Uitgestoken tong


Welopgevoede mensen kost het moeite ‘nee’ te zeggen. Dat zou neerkomen op eigenzinnigheid, en hoe beter men opgevoed is, des te meer is eigenzinnigheid taboe geworden. Gehoorzaamheid is de eerste plicht van het kind, en later verandert dat in burgerlijke gehoorzaamheid. In kinderruzies speelt gehoorzaamheid echter nog geen rol, en daar is het dan ook niet zo moeilijk nee te zeggen en zichzelf te handhaven. Waar men in een hartstochtelijke twist verstrikt raakt, bereikt men vaak een punt waar men met woorden alléén niet verder komt. Het lichaam weet dan raad, men steekt de tong uit en maakt een geluid dat duidelijk maakt wat men van de anderen vindt. Dat is een gebaar vol energie; en naast alle andere voordelen is het ook nog ondubbelzinnig. Het komt voor dat daarbij de ogen nijdig worden dichtgeknepen en de oogleden beven van vonkende energie. Ook kan men de tong uitsteken en daarbij de ogen wijd opensperren als lachspiegels. Wie zijn tong uitsteekt komt niet in de verleiding te knikken, wanneer hij eigenlijk het hoofd wil schudden.
Nee-zeggen zit ons, wat de bewegingen van het hoofd betreft, toch al wat onzeker in het lijf, want er zijn beschavingen waar schudden en knikken met het hoofd, nee en ja, precies het omgekeerde betekenen. De uitgestoken tong zegt nee met tal van ondertonen, er kan agressie bij komen, tegenzin of spot, en het gebaar verraadt dat men de tegenpartij beschouwt als idioot of neuroot. Dat nee kan boosaardig zijn, of vrolijk, of allebei tegelijk, en dan is het leedvermaak. Men produceert daarbij gemakkelijk een geluid dat klinkt als ‘ùllà’ en goed past bij leedvermaak – bij nog meer opwinding ook wel ‘bèh’, en dan ligt de nadruk voornamelijk op minachting […] dat is het tonguitsteken dat men ziet bij Tijl Uilenspiegel […] Hij staat, als alle kynici, ergens tussen de brutale vlerk en de spontane mens, tussen het naïeve en het geraffineerde, en omdat hij met zijn ‘onsmakelijke’ instemming zo ambivalent pendelt tussen eerlijkheid en boosaardigheid, weet de conventionele moraal niet erg goed raad met hem. Hij bewijst dat wij vaak de waarheid alleen aan het licht kunnen brengen door ervoor te betalen met vlegelachtigheid […] De waarheid is vaak in strijd met alle conventies, en de kynicus speelt de rol van een moralist die duidelijk maakt dat men de moraal moet overtreden om de moraal te redden.

[Peter Sloterdijk, Kritik der zynischen Vernunft]

De cynische lach



“De kennis van de machtscynicus berust op een scheefgetrokken superioriteit. De machtige houdt zijn voordeel in het oog, al weet hij dat hij daardoor verzeild raakt in moreel dubieus vaarwater. Vanuit scheefgetrokken superioriteit ontstaat gemakkelijk een scheef lachje, een boosaardig – slim gebaar. Dat verdedigt een slechte status-quo, het onrecht. De rechten van anderen? Daar kunnen we niet aan beginnen. Honger? Wat is dat? Een van de mondhoeken, vaak de linker, wordt omhooggetrokken. De mond van de machtige maakt de splitsing van zijn bewustzijn duidelijk; de andere helft wéét immers dat er in wezen niets te lachen valt. De ene helft van de mond krult wetend omhoog, zodat de andere onopzettelijk verachtend naar beneden gaat. Het mondaine realisme van de machtscynicus komt voort uit het verlangen het gezicht niet te verliezen terwijl men de handen vuil maakt. Daarom gaat dit vaak gepaard met voortreffelijke manieren. Het cynische lachje is zuiver ingebed in een onbeschaamde hoffelijkheid die zich beheerst en verraadt dat zij anderen op veilige afstand wil houden, zoals ze ook zichzelf streng onder de duim heeft.[…] Hun lachje is zo scheef als de komma tussen ‘ja’ en ‘maar’.”

[Peter Sloterdijk, Kritik der zynischen Vernunft]


“Bij enkele naakte gedachten heb ik in overhaaste wrevel hun vijgenblaadjes weer afgerukt” (Heine)

donderdag 26 maart 2009

Glimlach


“ Glimlach: Bij een tevreden gezicht liggen de lippen opmerkbaar vibrerend op elkaar. Alles is zoals het is. Er valt niets te zeggen. Diogenes zit zwijgend in de zon en kijkt naar de stenen trappen van de markthal. Door zijn hoofd gaat zelfs geen schaduw van een gedachte. Zijn ogen zijn ondergedompeld in de kosmische zindering van het Griekse licht. Hij ziet hoe de mensen hun zaakjes najagen. Als een van hen op het idee kwam voor zijn gezicht plaats te nemen om het met een ontvankelijk gemoed te bekijken, zou het best eens kunnen dat hij plotseling onbeheerst begon te huilen of redeloos te lachen.”

[Peter Sloterdijk, Kritik der zynischen Vernunft]

woensdag 25 maart 2009

Zorg en gevoel


“In de liefde begint elk mens bij het begin”, schreef Sören Kierkegaard. Dit begin is de intermenselijke relatie die we ‘zorg’ noemen. Hoewel ze uitstijgt boven het gevoel, begint ze daar. Het is een gevoel dat wijst op een relatie van betrokkenheid, een aanwijzing dat het bestaan van de ander voor mij betekenis heeft; een relatie van toewijding, de uiterste zijnsvorm aannemend, met de wil om te genieten van, of, als andere uiterste te lijden voor de ander.
De nieuwe basis van de zorg blijkt uit de interesse van psychologen en filosofen als zij de nadruk leggen op het gevoel als de grondslag van het menselijk bestaan. We moeten nu het gevoel als een legitiem aspect van onze verhouding tot de werkelijkheid grondvesten. Als William James zegt: “Het gevoel is alles”, bedoelt hij niet dat er meer is dan het gevoel, maar dat alles daar begint. Het gevoel zorgt voor de betrokkenheid, bindt je aan het object en is de zekerheid dat er gehandeld wordt.”

[Rollo May, Liefde en wil]

De meest hoogmoedige en leugenachtige minuut


In de een of andere uithoek van het in talloze zonnestelsels flonkerend uitgegoten heelal was eens een planeet waar schrandere dieren het kennen uitvonden. Dat was de meest hoogmoedige en leugenachtige minuut van de ‘wereldgeschiedenis’, maar toch niet meer dan een minuut. Na enkele ademtochten van de natuur verstarde de planeet en de schrandere dieren moesten sterven. – Zo zou iemand een fabel kunnen verzinnen en zou toch niet voldoende geïllustreerd hebben, hoe beklagenswaardig, schimmig en vluchtig, hoe doelloos en willekeurig het menselijk intellect binnen de natuur aandoet; er zijn eeuwigheden geweest dat het er niet was; als het er weer mee gedaan is, zal er niets voorgevallen zijn. Want er is voor dit intellect geen andere missie die verder reikt dan het menselijk leven. Integendeel, het is menselijk, en alleen de bezitter en voortbrenger ervan vat het zo pathetisch op, alsof het de spil is waar de wereld om draait. Maar als we met de mug zouden kunnen communiceren, zouden we te horen krijgen dat ook die met hetzelfde pathos door de lucht vliegt en zichzelf het vliegend centrum van deze wereld voelt. Er is niets zo verwerpelijk en nietig in de natuur of het wordt door een kleine inblazing van die kracht van het kennen direct als een ballon opgeblazen; en zoals elke lastdrager zijn bewonderaar wil hebben, zo gelooft de meest trotse mens, de filosoof, vanaf alle kanten de ogen van het heelal telescopisch op zijn handelen en denken gericht te zien.

[Friedrich Nietzsche, Over waarheid en leugen in buiten-morele zin]

woensdag 11 maart 2009

L'Eglise catholique, la vie, le Brésil


L’on peut à bon droit avoir du mal à comprendre l’indignation quasi générale, soudaine, ponctuelle, qui a répondu à la nouvelle de l’excommunication de la mère brésilienne responsable de l’avortement de sa fillette de neuf ans, violée par son beau-père, de cette fillette qui a perdu deux jumeaux.

Ce n’est pas que l’indignation ne soit justifiée, elle l’est assurément mais elle est surprenante comme ponctuelle, comme exception d’un silence complice plus continu à l’endroit d’une Eglise catholique dont le moins que l’on puisse dire est qu’elle a coutume de «persévérer dans son être»…

Négationnisme et vichysme accueillis à bras ouverts il y a quelques semaines, prospérité nouvelle du créationnisme, affaire de Recife, tout communie, si j’ose dire, dans la confirmation de ce que l’Histoire a dit de l’Eglise catholique.

Et l’Histoire en a dit que sous couvert de défense et d’illustration du vivant et de l’amour du vivant, elle défend en réalité de l’Idée, de l’Idée de la vie, de l’imagination, de la poésie du vivant qui est un fantôme, un ange de vie mais qui est de l’ordre de la «vie morte».
L’Eglise catholique (son vaisseau amiral) goûte la mort de la vie et celle de la mort quand elle est de l’ordre de la vie. Ce n’est pas la vie que défend l’Eglise catholique mais l’imagination «toute romaine», l’idéation qu’elle en façonne. On peut aimer ou abhorrer cette idiotie (au sens grec, cette «fermeture à un savoir») mais on ne peut pas se tromper sur elle. Et quand on l’abhorre c’est continûment qu’il s’agit de s’indigner.

L’Eglise catholique défend depuis toujours une conception arrêtée de la vie (comme la flèche du sophiste qui nie le mouvement en passant de point fixe en point fixe) qui est la contradiction même de la vie comme mouvement, champ erratique de forces, comme errance tragique. Elle défend la vie morte, elle hait la vie vivante et sa gigue, elle promeut l’Eternel et vomit la mort qui est part de cette vie qu’elle vomit. On ne peut guère en attendre autre chose sauf à penser son non-être.

On ne pouvait attendre de l’Eglise catholique qu’une attitude, celle qui consistait à préférer la vie encore absente, la vie pas encore de la vie, la vie pas tout à fait vivante, la vie peut-être un peu morte, la vie problématiquement vie, celle des jumeaux, à la vie présente, de la vie, tout à fait vivante, assurément vie, de la petite fille qu’un accouchement eût condamnée. On ne pouvait en attendre autre chose, sauf à vouloir que l’Eglise fût autre chose que son être, un non-être de l’Eglise qui serait l’Eglise, ce qui est, au sens strict, impensable, c’est-à-dire non-pensable.

Il n’est pas étonnant que l’affaire soit brésilienne (et savoureux que l’excommunication soit justifiée par tel Cardinal dont la traduction littérale du nom est «Jean-Baptiste Roi», c’est-à-dire un nom convoquant la vision surréaliste d’une tête coupée portant couronne, d’une mort refoulée, d’un déni de cette vie qui est aussi faite de mort).

Il n’est pas étonnant que l’affaire soit brésilienne : quelle terre de mission plus excitante pour le catholicisme sous ses divers avatars également hostiles au vivant vivant, que ce pays de la vie radicale, de son beau désordre tragique, de son hasard glorieux, source d’allégresse et de mélancolie?

[Emmanuel Tugny, Libération]

zondag 8 maart 2009

Alchimie des idées

Adriaen Vanostade, l' Alchimiste, 1611

« Les idées glissaient elles aussi. L’acte de penser l’intéressait maintenant plus que les douteux produits de la pensée elle-même. Il s’examinait pensant, comme il eût pu compter du doigt à son poignet les pulsations de l’artère radiale, ou sous ses côtes le va-et-vient de son souffle. Toute sa vie, il s’était ébahi de cette faculté qu’ont les idées de s’agglomérer froidement comme des cristaux en d’étranges figures vaines, de croître comme des tumeurs dévorant la chair qui les a conçues, ou encore d’assumer monstrueusement certains linéaments de la personne humaine, comme ces masses inertes dont accouchent certaines femmes, et qui ne sont en somme que de la matière qui rêve. Bon nombre des produits de l’esprit n’étaient eux aussi que de difformes veaux-de-lune. […]

Par instants, on tremblait comme sur le bord d’une transmutation : un peu d’or semblait naître dans le creuset de la cervelle humaine ; on n’aboutissait pourtant qu’à une équivalence ; comme dans ces expériences malhonnêtes par lesquelles les alchimistes de cour s’efforcent de prouver à leurs clients princiers qu’ils ont trouvé quelque chose, l’or au fond de la cornue n’était que celui d’un banal ducat ayant passé par toutes les mains, et qu’avant la cuisson le souffleur y avait mis. Les notions mouraient comme les hommes : il avait vu au cours d’un demi-siècle plusieurs générations d’idées tomber en poussière. […]

Le philosophe qui tentait de considérer dans son ensemble l’entendement humain voyait sous lui une masse soumise à des courbes calculables, striée de courants dont on eût pu dresser la carte, creusée de plis profonds par les poussées de l’air et la pesante inertie des eaux. Il en allait des figures assumées par l’esprit comme de ces grandes formes nées de l’eau indifférenciée qui s’assaillent ou se relaient à la surface du gouffre ; chaque concept s’affaissait finalement dans son propre contraire, comme deux houles qui se heurtent s’annihilent en une seule et même écume blanche. »

[Marguerite Yourcenar, L’œuvre au noir]

woensdag 4 maart 2009

Het biechtende dier


Historisch gezien bestaan er twee grote procedures om de waarheid van seks te produceren.
Aan de ene kant de maatschappijen – en deze zijn talrijk geweest: China, Japan, India, Rome, de Arabisch-Islamitische maatschappijen – die zichzelf een ars erotica gegeven hebben. In de kunst van de erotiek wordt de waarheid ontleend aan de lust zelf, en welke wordt opgevat als praktijk en vergaard in de vorm van ervaring; de lust wordt niet gezien in relatie tot een absolute wet die bepaalt wat toegestaan en verboden is, en ook niet onder verwijzing naar een nuttigheidscriterium; maar de lust wordt allereerst en vooral in relatie tot zichzelf gezien, hij is als lust te kennen, met andere woorden in zijn intensiteit, zijn specifieke hoedanigheid, zijn duur, en zijn uitstraling in lichaam en ziel. [...]

Onze beschaving bezit, althans op het eerste gezicht geen ars erotica. Daarentegen is zij zonder twijfel de enige die een scientia sexualis beoefent. Of liever, in de loop der eeuwen heeft zij, om de waarheid over seks te zeggen, procedures ontwikkeld die in wezen geordend zijn rondom een vorm van weten-macht die strikt tegengesteld is aan de kunst van de initiaties (...), het gaat hier om de bekentenis.

Op zijn laatst vanaf de middeleeuwen hebben de westerse maatschappijen de bekentenis gerangschikt onder de belangrijkste rituelen waarvan men de productie van waarheid verwacht: het invoeren van een reglement voor het sacrament van de biecht door het Concilie van Lateranen in 1215, de daarop volgende ontwikkeling van de biechttechnieken; in de strafrechtspraak teruggang van de procedures van het aanklagen, het verdwijnen van proeven om schuld of onschuld vast te stellen (eed, duel, godsoordeel) en het ontwikkelen van verhoor- en onderzoeksmethoden; de steeds grotere rol van het koninklijke bestuursapparaat bij het vervolgen van wetsovertredingen, ten koste van de procedures om tot een private schikking te komen; het instellen van inquisitierechtbanken; dit alles heeft ertoe bijgedragen om de bekentenis een centrale rol te geven in de orde van de burgerlijke en godsdienstige machten. De ontwikkeling van het woord ‘bekentenis’ en van de juridische functie die het aangeduid heeft, is op zichzelf kenmerkend: betekende ‘bekentenis’ eerst waarborg van status, identiteit en waarde die men iemand anders toekende, later werd ‘bekentenis’ erkenning van zijn of haar eigen gedachten of handelingen. Lange tijd heeft het individu zich gelegitimeerd door naar anderen te verwijzen en door zijn band met iemand anders te betuigen (familie, gevolg, beschermheerschap); later werd het waarmerk van het individu het waarheidsvertoog dat het over zichzelf kon of moest houden. De bekentenis van de waarheid is de kern gaan vormen van de procedures waarmee de macht de individualisering bewerkstelligt.

Hoe het ook zij, de bekentenis is naast de rituelen van de proef, naast de waarborgen die het gezag van de traditie verleent, naast de getuigenissen, maar ook naast de geleerde procédés van observatie en bewijsvoering, in het Westen een van de hoogst aangeslagen technieken geworden om het ware te produceren. Sindsdien zijn wij een in de eerste plaats bekennende maatschappij geworden. De uitwerkingen van de bekentenis zijn wijdverbreid: in de rechtspraak, in de medische wetenschap, in de pedagogie, in de gezins- en liefdesverhoudingen, in de meest banale dagelijkse orde, alsook in de meest verheven riten. We bekennen onze misdaden, we biechten onze zonden, onze gedachten en verlangens op, we bekennen ons verleden met zijn dromen, we bekennen onze kindertijd, onze ziekten en ellende; we doen ons uiterste best om zo nauwkeurig mogelijk die dingen te zeggen die het moeilijkst uit te spreken zijn; we bekennen in het openbaar en privé, aan onze ouders, opvoeders, aan onze arts en aan de mensen van wie we houden; en onszelf bekennen we, in vreugde en verdriet, dingen die we onmogelijk aan iemand anders kunnen bekennen, en gebruiken dat als stof voor een boek. We bekennen – of we zijn gedwongen te bekennen. Wanneer de bekentenis niet spontaan of onder innerlijke aandrang geschiedt, dan wordt zij afgeperst; men jaagt haar na tot in de ziel of ontrukt haar aan het lichaam. (...)

De westerse mens is een biechtend dier geworden.

[Michel Foucault, De Wil tot Weten - Geschiedenis van de Seksualiteit)

Genderverschillen in de biechtstoel

Actrice Monica Belluci in de film Malèna, waarin ze als wondermooie jonge Siciliaanse weduwe door elke man van het dorp wordt begeerd.

"Nu vormde vanaf de christelijke biecht tot op de dag van vandaag seks het onderwerp bij uitstek van het belijden. Zij is datgene wat men achterhoudt, wordt er gezegd. En als zij integendeel nu eens datgene was wat men op zeer bijzondere wijze bekent? Als de plicht haar te verbergen slechts een aspect zou zijn van de plicht haar te bekennen? ... Als seks in onze maatschappij nu al meerdere eeuwen lang in de ijzeren greep van de bekentenis is?"
[Michel Foucault, De wil tot weten]

Mannen en vrouwen zondigen op een andere manier, zegt monseigneur Wojcieh Giertych de persoonlijke theoloog van paus Benedictus XVI en van het pauselijke huishouden. Daarmee legt hij onwillekeurig het mannelijke en vrouwelijke onbehagen van deze tijd bloot, stelt de Britse schrijfster en columniste India Knight.

Er is geen seksuele gelijkheid als het de zonde betreft, schreef Giertych vorige week in L’Osservatore Romano, de krant van het Vaticaan. Zijn kijk is gestoeld op zijn eigen bevindingen in de biechtstoel en wordt geschraagd door een analyse van biechtgegevens uitgevoerd door de 95-jarige Roberto Buso, een jezuïet met een zeer technische knobbel die eerder al een computeronderzoek deed naar de werken van Thomas van Aquino.

De zeven hoofdzonden zijn: onkuisheid, gulzigheid, hebzucht, traagheid, gramschap, afgunst en hoogmoed (die staan tegenover kuisheid, matigheid, naastenliefde, vlijt, lijdzaamheid, goedheid en nederigheid). Vorig jaar kwam het Vaticaan echter met het voorstel om daar een paar nieuwe zonden aan toe te voegen die betrekking hebben op de actualiteit, met name genetische manipulatie, experimenten op mensen, milieuvervuiling, sociale onrechtvaardigheid, het veroorzaken van armoede, financiële gulzigheid en het gebruik en verkoop van drugs. (Ik begrijp wel niet goed hoe een joint roken de Heer even hard kan storen als het veroorzaken van armoede, maar soit.)

Als je een man bent, zo wijzen de bevindingen van Buso en Giertych uit, dan is de eerste zonde onkuisheid, gevolgd door gulzigheid. Daarna volgt traagheid, want tegen dan ben je waarschijnlijk te verzadigd om nog te bewegen. Als je een vrouw ben, dan is de voornaamste zonde hoogmoed, gevolgd door afgunst en gramschap, wat een niet al te mooi plaatje schetst. Begrijpelijk dus dat mannen veel eten en naar porno kijken.

De Britse detectiveschrijfster Dorothy L. Sayers merkte ooit schrander op dat de hoofdzonden opgedeeld zouden moeten worden in onfatsoenlijke maar warmbloedige zonden (onkuisheid, gramschap, gulzigheid) en respectabele maar koudbloedige zonden (afgunst, traagheid, hebzucht en hoogmoed). Ze zijn koudbloedig omdat het zonden van de geest en niet van het vlees zijn, ze zijn respectabel omdat ze de gedaante van deugden kunnen aannemen.

Ik vermoed dat het lijstje van zonden er dertig of veertig jaar geleden totaal anders had uitgezien. Zou onkuisheid bovenaan op het mannenlijstje hebben gestaan toen reclamespotjes nog beelden gebruikten van volledig geklede huisvrouwen die eenvoudige en voedzame maaltijden probeerden samen te stellen, en toen je om aan porno te geraken nog een gênant heimelijk bezoek aan de krantenboer moest brengen? Anno 2009 is het niet meer dan normaal dat onkuisheid de eerste positie in de mannelijke geest inneemt. Seks lijkt elk aspect van hun leven te doordringen.

Als een man veertig jaar geleden in de biechtstoel gevraagd werd om op te sommen hoeveel keer zijn ouweheer zich in de loop van de dag had opgericht, dan was het waarschijnlijk bij twee of drie gelegenheden gebleven. Vandaag zou hij een paar uur nodig hebben om elke aandrang een beetje getrouw weer te geven. Maar goed, mannen biechten onkuisheid tenminste op, wat waarschijnlijk betekent dat ze zich toch een beetje slecht voelen omdat ze van zowat alles hitsig worden, inclusief reclame voor chocolade.

De website Cracked.com publiceerde vorige week een wijdverspreid artikel getiteld ‘Vijf dingen waarvan je onterecht denkt dat ze je gelukkig zullen maken’. Die vijf dingen waren, in omgekeerde volgorde: beroemdheid (de website brengt het verlangen van tieners naar roem in verband met een gebrek aan aandacht door afwezige of ‘emotioneel verwijderde’ ouders), rijkdom (Nigerianen zijn tevredener met hun leven dan mensen in andere landen, terwijl de gemiddelde Nigeriaan 235 euro per jaar verdient), schoonheid (te veel ‘geveinsd gevlei’ alleen maar omdat je knap bent, zelfde problemen met het zelfbeeld als mensen met een gewoon uiterlijk), genialiteit (maakt je eenzaam en mogelijk geestelijk ziek) en macht (waardoor je een eikel en mogelijk een psychopaat wordt).

De bedenkingen van deze grappige en oneerbiedige site over menselijke ontgoochelingen komen bijna letterlijk overeen met de biechtbevindingen van het Vaticaan. U moet toegeven dat dat toch behoorlijk interessant is. Giertych stelde: “Verschillende culturele contexten brengen verschillende gewoonten voort, maar de menselijke natuur blijft dezelfde.”

In een pakkend essay heeft Mary Eberstadt, een onderzoekster aan het Hoover Institution, het over de betekenis van het gegeven dat westerlingen voor het eerst in de geschiedenis onbeperkt toegang hebben tot eten en seks. Ze beschrijft de attitudekloof die ons van onze voorouders scheidt. “Historisch beschouwd waren eten en seks in alle beschavingen steeds onderworpen aan formele en informele regels”, om zaken te vermijden als seksuele agressie en ziekte.

Die regels zijn weg. Je hoeft niet langer bang te zijn om zwanger te worden, je hoeft jezelf niet bloot te stellen aan ziekte, meer partners hebben is niet langer een schande, en gemechaniseerde landbouw, pesticiden en genetisch gemanipuleerd voedsel hebben ervoor gezorgd dat iedereen in het Westen kan eten tot hij barst. Grof gesteld: Eberstadt concludeert dat voedsel de nieuwe seks is, het domein waarop nu taboes, obsessies, grillen en fetisjen rusten.

Iedereen met ogen in zijn kop moet inzien dat het klopt. En de mannelijke kant van de Vaticaanse zondenlijst geeft enigszins aan dat mannen, zoals Eberstadt stelt, volledig gestrand zijn in hun eigen lusten. De lijst biedt eigenlijk een handig inzicht in de fundamentele verschillen tussen de seksen vandaag. Mannen eten, neuken en maken zich daar achteraf zorgen over. Vrouwen tutten zich op en zijn jaloers, met een klein beetje nijd en nukken erbij gekwakt, en zijn daar niet bepaald trots op. De zondescheiding die het Vaticaan aanstipt, weerspiegelt de maatschappelijke veranderingen van de laatste twee decennia op een onverwacht moderne manier. Wat eerst een ontspannend niemendalletje leek, geeft eigenlijk een perfect beeld van het mannelijk en vrouwelijk onbehagen.

[India Knight, Sunday Times]

woensdag 25 februari 2009

Jaap Kruithof (13 december 1929 - 25 februari 2009)


Vanochtend is de Vlaamse filosoof Jaap Kruithof overleden.


Jaap Kruithof heeft zich tijdens zijn loopbaan ingespannen voor het uitbouwen van een moraalwetenschap die de ethiek – tenminste gedeeltelijk – op wetenschappelijke grondslagen vestigt. Daarmee heeft hij in toenemende mate het antropocentrisme bestreden en opgeroepen ten voordele van een milieu-ethiek en politiek die de conservatie en ontwikkeling van de biosfeer, waarvan de mensheid slechts een deelsoort uitmaakt, tot centrale waarde verheft.


“Het ethische is geen specifiek waardensysteem naast andere, maar een ordeningsgeheel waarmee de mens de verschillende waarden-subsystemen tracht te coördineren en te hiërarchiseren. […] Waar twee of meer waarden of daarvan afgeleide doeleinden of normen uit om het even welke waardegebieden moeten gecoördineerd worden met het oog op het tot stand brengen of handhaven van een harmonisch evenwicht van de totaliteit hebben we met een ethisch verschijnsel te doen.”
[Jaap Kruithof, Eticologie]

Le je-ne-sais-quoi

France XV° siècle, Honoré Bonnet, L'arbre des batailles, Musée de Chantilly

Il y a quelque chose qui est pour ainsi dire la mauvaise conscience de la bonne conscience rationaliste et le scrupule intime des esprits forts; quelque chose qui proteste et ‘remurmure’ en nous contre le succès des entreprises réductionnistes. Ce quelque chose est comparable, sinon aux reproches intérieurs de la raison devant l’évidence bafouée, du mois aux remords du for intime, c’est-à-dire au malaise d’une conscience insatisfaite devant uné vérité incomplète. Il y a quelque chose d’inévident et d’indémontrable à quoi tient le côté inexhaustible, atmosphérique des totalités spirituelles, quelque chose dont l’invisible présence nous comble, dont l’absence inexplicable nous laisse curieusement inquiets, quelque chose qui n’existe pas et qui est pourtant la chose la plus importante entre toutes les choses qu’on ne puisse dire ! Comment expliquer l’ironie passablement dérisoire de ce paradoxe : que le plus important, en toutes choses, soit précisément ce qui n’existe pas ou dont l’existence, à tout le moins, est le plus douteuse, amphibolique et controversable ? Quel malin génie empêche que la vérité des vérités soit jamais prouvée sans équivoque ? Autant demander pourquoi c’est justement le mal qui est tentant, le plaisir nuisible qui nous attire, le devant-être qui nous répugne ! Ce n’est pas ici le lieu de nous interroger sur l’ataxie constitutionnelle qui fait de la donnée trompeuse une évidence obvie et inambiguë, de l’unique chose essentielle un absconditum et un mystère, qui nous soustrait celui-ci en nous amusant avec celle-là … La nostalgie de quelque chose d’autre, le sentiment qu’il y a autre chose, le pathos d’incomplétude enfin animent une espèce de philosophie négative qui a toujours été en marge et parfois au centre de la philosophie exotérique. Platon, qui sait, quand il dit les choses indicibles, abandonner le discours dialectique pour le récit mystériologique, Platon parle dans le Banquet d’une ‘quelque chose d’autre’ dont les âmes des amants sont éprises, qu’elles ne peuvent exprimer, qu’elles devinent seulement et suggèrent en énigmes. …Il est vrai que ce quelque chose d’autre est l’unité de la nature primitive, laquelle est chose assignable et, en somme dicible : mais le fait qu’il est l’objet d’une réminiscence prénatale et d’un vœu métempirique plus grands que tout désir sensible oblige Aristophanes à l’exposer mythiquement et à lui donner un caractère inexplicable autant qu’inépuisable. Sans ce mystérieux et surnaturel Allo ti, l’aporie d’amour telle que la décrit le Phèdre serait-elle aussi évasive ? […] Ce quelque chose d’autre érotique du discours d’Aristophanes, est une allusion à l’infini et une ouverture sur l’indicible ; ce ‘résidu’ de mystère est la seule chose qui vaille la peine, la seule qu’il importerait de connaître, et qui, comme exprès, demeure inconnaissable. Le secret, comme il en est de la mort, est décidément bien gardé, l’ignorance humaine est décidément bien combinée ! Beaucoups de noms ont pu être donnés à cet innommé innommable, beaucoup de définitions proposées pour ce ‘quelque chose d’autre’ qui n’est précisément pas comme les autres parce que en général il n’est ni une chose ni quelque chose.

Vladimir Jankélévitch, Le Je-ne-sais-quoi et le Presque-rien

dinsdag 24 februari 2009

Lof der tranen


Het minste gevoel van geluk of verveling doet tranen vloeien bij de verliefde Werther. Werther huilt, dikwijls, zeer dikwijls en overvloedig. Is het in Werther de verliefde of de romanticus die huilt?

Misschien is het een dispositie van de verliefdheid zich te laten gaan in huilen? Door zijn overgave aan de Verbeelding bekommert hij zich niet om de censuur die vandaag de volwassenen ver houdt van tranen en waarmee de man zich op zijn viriliteit beroept (tevredenheid en vertedering van Piaf: “Mais vous pleurez, Milord!”). Door zijn tranen de vrije loop te laten gehoorzaamt hij aan zijn verliefde lichaam, dat een lichaam is dat zich baadt, in vloeibare expansie: samen huilen, samen verzinken: heerlijke tranen sluiten de lectuur van Klopstock, die Charlotte en Werther tesamen lezen, af. Waar anders haalt de verliefde het recht te huilen, dan in een omkering van waarden, waarvan het lichaam het eerste doelwit is? Hij aanvaardt de terugkeer van het kinderlijke lichaam.

Bovendien heeft het verliefde lichaam hier een bijkomend historisch lichaam. Wie schrijft er de geschiedenis van tranen? In welke samenlevingen, in welke tijden heeft men gehuild? Sinds wanneer huilen mannen (en niet de vrouwen) niet meer? Waarom werd de “gevoeligheid” op een zeker ogenblik omgevormd tot “sentimentaliteit”? De beelden van wat viriliteit is zijn veranderlijk; zowel door de Grieken als in de XVIIde eeuw werd er veel gehuild in het theater. Volgens Michelet leed Saint Louis eronder dat hij de gift van het tranen laten niet had; toen hij eindelijk tranen zachtjes voelde vloeien op zijn gelaat, “elles lui semblèrent si savoureuses et très douces, non pas seulement au coeur mais à la bouche”. (In 1199 zette een jonge monnik zich op weg naar een Cistercenzerabdij in Brabant om er de gift van het tranen laten te ontvangen). [..]

Misschien is “huilen” te grof; misschien moet men niet alle huilen herleiden tot éénzelfde betekenis; misschien zijn er in de zelfde verliefde meerdere subjecten die zich in gelijkaardige, maar toch verschillende wijzen van “huilen” uiten. Wie is het ‘ik’ dat ‘tranen in de ogen heeft’? Wie is de ander die die dag, op het punt stond ‘in tranen uit te barsten’? Wie ben ik, ik die “alle tranen van mijn lichaam” huilt? of bij het ontwaken in een “stortvloed van tranen uitbarst”? Als ik zoveel verschillende manier heb om te huilen, is het misschien dat wanneer ik huil, ik mij tot iemand richt, en dat de ontvanger van mijn tranen niet steeds dezelfde is; ik pas mijn manier van huilen aan het soort chantage die ik, door mijn tranen, wens uit te voeren rondom mij.

Door te huilen, wil ik op iemand indruk maken, druk uitoefenen (“Zie wat je mij aandoet”). Het is meestal de ander die men dwingt om openlijk zijn medelijden of zijn gevoelloosheid te tonen; maar het kan ook mezelf zijn: ik laat mezelf huilen om me te bewijzen dat mijn pijn geen illusie is: de tranen zijn tekens, geen uitdrukkingen. Doorheen mijn tranen vertel ik een verhaal, ik creëer een mythe van de pijn, en ik pas er me aan: ik kan ermee leven, omdat door te huilen ik me een empathische gesprekspartner geef die de meest “ware” boodschap ontvangt, dat van mijn lichaam en niet van mijn spreken: “Woorden wat zijn het? Eén traan zegt zoveel meer.” (Schubert, Lob der Tränen).

[Roland Barthes, Fragments d’un discours amoureux]



D'eau et de sel naissent
Dans ses yeux de femme
Diamants fugasses


La joue reçoit en don
Le chemin salé d'une larme

Ecrivant son nom


Faible lumière d'amant

Sans visage et sans corps

Amour faisant


(tancredo infrasonic)

zondag 22 februari 2009

Pluralistische methodologie


De voorbeelden van Copernicus, de atoomtheorie, Voodoo, Chinese geneeskunde tonen aan dat zelfs de meest geavanceerde en ogenschijnlijke meest veilige theorie niet zeker is, dat ze kan gewijzigd worden of zelfs helemaal overbodig worden en eindigen in de vuilnisbak van de geschiedenis. Dit toont aan hoe de kennis van vandaag het sprookje van morgen en hoe de meest belachelijke mythe mogelijk het meest zekere sluitstuk van wetenschap kan worden.

Een pluralisme aan theorieën en metafysische gezichtspunten is niet enkel belangrijk voor de methodologie, zij vormt tevens een essentieel deel van een menselijke panorama. Progressieve leraars hebben steeds getracht de individualiteit van hun leerlingen te ontwikkelen en de bijzondere en soms unieke talenten en geloof dat een kind bezit vruchtbaar te maken. Dergelijke opvoeding leek echter dikwijls een futiele oefening in dagdromen. Want is het niet noodzakelijk om de jongeren voor te bereiden op het leven zoals het werkelijk is? Betekent dit dat zij slechts één bijzonder geheel van gezichtspunten moet leren met uitsluiting van al de rest? En, als er nog een spoor van hun verbeelding mag overblijven zal het dan zijn eigen toepassing niet vinden in de kunst of in een klein domein van dromen dat weinig uitstaans heeft met de wereld waarin we leven? Zal deze handelwijze niet uiteindelijk leiden tot een breuk tussen een gehate realiteit en fantasieën aanmoedigen, tussen wetenschap en kunsten, nauwkeurige beschrijving en ongebreidelde zelfexpressie? Het argument voor proliferatie toont aan dat dit niet hoeft te gebeuren. Het is mogelijk om wat men de vrijheid van artistieke creatie kan noemen te behouden en optimaal te gebruiken, niet als een ontsnappingsroute maar als een noodzakelijk middel om tot ontdekkingen te komen en misschien de eigenschappen van de wereld waarin we leven te veranderen. Dit samenvallen van het deel (de individuele mens) met het geheel (de wereld waarin we leven), van het zuiver subjectieve en arbitraire met het objectieve en wetmatige is een van de meest belangrijke argumenten ten voordele van een pluralistische methodologie.

[Paul Feyerabend, Against Method]

zaterdag 21 februari 2009

Narcissus in de Club Méditerranée


Wat doet er uiteindelijk onze maatschappij bewegen, niet de liefde, maar het geld, het belang, de machtsverhoudingen en de krachtsverhoudingen, het egoïsme, het narcissisme. Dat is de waarheid over het sociale leven. Het is het grote beest van Plato geleid door de Leviathan van Hobbes, de angst in dienst van het belang, de macht in dienst van de egoïsmes. Zo is het, en het heeft weinig zin om zich daarover te ergeren. Iedereen profiteert ervan, maar niet allen op dezelfde wijze en in dezelfde mate. Meestal gaat het egoïsme en het sociale hand in hand. Als mensen werken, hun belastingen betalen en min of meer de wet respecteren is dat uit egoïsme, bijna altijd en enkel uit egoïsme, meestal, en dat is Narcissus in de Club Méditerranée. Omgekeerd veronderstelt moed hebben en ware liefde, zelfs in dienst van de maatschappij, die luciede houding t.a.v. zichzelf die het tegendeel is van het narcissisme (wat geen verhouding is tot zichzelf, maar tot zijn imago door bemiddeling van de blik van de ander) die ik de eenzaamheid noem. Eenzaamheid en generositeit gaan ook samen. Hoe kan men met een ander leven als men niet met zichzelf kan leven? Diegene die zijn eigen eenzaamheid niet kan bewonen, hoe kan hij die van de anderen doorlopen?

Narcissus houdt niet van de eenzaamheid en dat is begrijpelijk. De eenzaamheid stelt hem voor het aangezicht van zijn niets, waarin hij zich verdrinkt.
Wat wij meestal doen is heen en weer gaan tussen twee extremen, min of meer narcistisch, min of meer eenzaam naargelang de momenten en omstandigheden van het leven. Maar iedereen weet goed genoeg naar welke zijde de maatschappij ons duwt, vooral vandaag, het is geen toeval dat we in een consumptiemaatschappij leven, en waartoe de eenzaamheid ons oproept.

“De kenmerkende eigenschap van de hoogindustriële samenleving is dat zij doeltreffend die behoeften verstikt welke bevrijding opeisen – bevrijding ook van datgene wat draaglijk, lonend en plezierig is – en tegelijkertijd de destructieve kracht en de repressieve functie van de welvaartmaatschappij vrijspreekt en ondersteunt … Vrije keuze tussen een grote verscheidenheid van goederen en diensten betekent geen vrijheid, indien deze goederen en diensten een netwerk van sociale controle over een leven van zware arbeid en angst uitspannen – d.w.z. als zij vervreemding in stand houden.”
[Herbert Marcuse, De ééndimensionale mens]

Men hoort heden, overal, de loftrompet over de ondernemers, de carrièremakers uit de zakenwereld. Men vergeet maar al te vlug dat diegene die heerst over de dingen, steeds en altijd moet beginnen te heersen over de anderen, de mensen die die dingen fabriceren. Triomferen in de zaken is altijd triomferen over anderen, zich verrijken met hun nederlaag.
Als alles goed gaat krijgt men een plaatsje in een bureau, een fabriek of zo; als het slecht gaat in het hospitaal, de instelling of de gevangenis.

“Immers, het vermogen om de rebellerende verbeelding en pogingen daartoe in te kapselen en te manipuleren is een integrerend deel van de gegeven samenleving”
[Herbert Marcuse, De ééndimensionale mens]

tancredo infrasonic

vrijdag 20 februari 2009

Het therapeutisch karakter van de filosofische analyse


Er ligt een sterke nadruk op het therapeutisch karakter van de filosofische analyse: het genezen van illusies, bedrog, duisterheden, onoplosbare raadsels, niet te beantwoorden vragen, van schimmen en spookbeelden. Wie is de patiënt? Op het eerste gezicht een bepaald soort intellectueel, wiens geest en taal zich niet conformeren aan de omgangstaal. Er ligt inderdaad een aardig stuk psychoanalyse in deze filosofie [de analytische positivistische taalfilosofie] – een analyse overigens zonder Freuds fundamentele inzicht, dat de kwaal van de patiënt zijn wortels heeft in een algemene ziekte die niet genezen kan worden door een analytische therapie. M.a.w., volgens Freud is de ziekte van de patiënt in zekere zin een protestreactie tegen de zieke wereld waarin hij leeft. Maar de arts moet het “morele” probleem buiten beschouwing laten. Hij moet de patiënt zijn gezondheid teruggeven, hem in staat stellen normaal in zijn wereld te functioneren. De filosoof is geen arts; het is niet zijn taak individuen te genezen, maar de wereld te begrijpen waarin ze leven, ze te begrijpen met het oog op datgene, wat ze de mens heeft aangedaan en wat ze de mens kan aandoen. Want filosofie is (historisch gezien – en haar geschiedenis is nog steeds van belang) het tegendeel van wat Wittgenstein beweerde dat ze is, toen hij verkondigde dat ze het opgeven van alle theorie is, de onderneming die “alles laat zoals het is”. En de filosofie kent geen nuttelozer “ontdekking” dan die, welke “vrede geeft aan de filosofie zodat ze niet meer gekweld wordt door vragen, die haarzelf in twijfel trekken.” Er bestaat geen slechter filosofisch motto dan Bishop Butlers uitspraak waarmee G.E. Moore’s “Principia Ethica” getooid is: “Alles is wat het is en niet iets anders” – tenzij het “is” wordt opgevat als een verwijzing naar het kwalitatieve verschil tussen datgene wat de dingen werkelijk zijn en dat wat ze gedwongen worden te zijn.

Herbert Marcuse, De ééndimensionale mens]

donderdag 19 februari 2009

Alles liever dan de waarheid


De ervaring leert ons dat we in de strijd tegen psychische ziekten op den duur maar één middel tot onze beschikking hebben: het – emotionele – vinden van de waarheid van onze onvergelijkelijke, unieke kindergeschiedenis. Zouden we ons ooit geheel kunnen bevrijden van illusies? Elk leven zit vol illusies, waarschijnlijk omdat de waarheid ons zo ondraaglijk voorkomt. En toch is die waarheid zo onmisbaar voor ons dat we met ernstige ziekten moeten betalen voor het verlies daarvan. [...]

We kunnen ons verleden totaal niet veranderen, de krenkingen die ons in onze kindertijd zijn aangedaan, kunnen we niet ongedaan maken. Maar we kunnen wél onszelf veranderen, onszelf ‘repareren’, onze verloren integriteit heroveren. Dat kunnen we doen door te besluiten de in ons lichaam opgeslagen kennis van wat vroeger gebeurd is nader te bekijken en deze dichter bij ons bewustzijn te brengen. [...]

De meeste mensen doen precies het omgekeerde. Ze willen niets van hun geschiedenis weten en weten daarom ook niet dat ze in wezen voortdurend daardoor bepaald worden, aangezien ze in de onopgeloste, verdrongen situatie van hun kindertijd zijn blijven leven. Ze weten niet dat ze gevaren vrezen en mijden, die ooit echte gevaren zijn geweest, maar dat allang niet meer zijn. Ze laten zich drijven door onbewuste herinneringen en verdrongen gevoelens en behoeften, die vaak vrijwel al hun doen en laten op een perverse manier bepalen, zolang ze onbewust en onopgehelderd blijven.

[Alice Miller, Het drama van het begaafde kind]

Liefde en seksualiteit



Men zou de woorden van Cesare Pavese tot zich moeten laten doordringen daar waar hij schrijft over seksualiteit in zijn dagboek om dan wat hij zegt volledig dialectisch om te keren en elke ‘act of shame’ (zoals hij het zegt) met liefde bekijken, en de perversie uitspuwen.

“Dat het leven een strijd is om het leven dat ziet men goed in de seksuele relaties van mannen en vrouwen, waar ondanks alle corrigerende inspanningen van het ideaal van ridderlijkheid, ondanks de sociale eisen van het conformisme en ondanks alle onthouding, het onbetwistbaar blijft dat men de ander weigert als die het gevraagde en bevrijdende plezier niet geeft.
En men begrijpt de aangeboren en immer knagende eenzaamheid van eenieder wanneer men observeert hoe de gedachte dat een ander de daad verricht met een vrouw – met om het even welke vrouw – tot een nachtmerrie wordt, het beschamende bewust zijn van een oneerbare obsceniteit, de sluipende wens om dit te doen stoppen en, indien mogelijk, te vernielen. Kan men werkelijk tolereren dat een andere man – om het even welke man – met een andere vrouw – om het even welke vrouw – de ‘act of shame’ doet? Neen, duizend maal neen. En nochtans ligt ongetwijfeld daarin de centrale activiteit van het leven. Ziedaar de valsheid van al ons altruïsme. Hoe heilig we ook mogen zijn, weten dat een ander neukt wekt weerzin op en kwetst ons.”
[Cesare Pavese, Le métier de vivre, 15 XII 1937]


‘Post coïtum, omnes animal triste’ of zoals Schopenhauer het zegt: "na de liefdesdaad hoort men de duivel lachen", maar de duivel dat hij mag lachen in de hel !

tancredo infrasonic