zondag 25 januari 2009

Energie (4) Ch'i


Van het begrip ch’i bestaan zeer uiteenlopende vertalingen: Needham vertaalt “pneuma, subtle matter, matter-energy”; Fung Yu-lan: “ether, matter”; O. Graf: “Materie, Energie, Prinzip der Stofflichkeit, geg. Li, der ‘forma’, dem Organisationsprinzip”; Cl. Larre: “souffle”; Le Blanc: “matter-energy”; Graham laat het woord onvertaald, maar omschrijft het als “the activating fluids in the atmosphere and the body”; M. Übelhör: “materielle Grundsubstanz und Energie aller Dinge”; W.T. Chan: “breath, ether, material force, vital force”, enz. Het gemeenschappelijke in al deze “vertalingen” is dat ze materie en energie in één begrip willen samenbrengen. De etymologische oorsprong van het karakter ch’i is: de (warme) damp , die uit de rijst opstijgt, duidelijk een symbool voor iets dat materieel nauwelijks te grijpen is, maar anderzijds met energie geladen is. Eigenlijk gaat het hier om een Leibniziaanse materie, die een innerlijke streving bevat.

Om tot een juiste interpretatie van het Chinese concept ch’i, energie te komen, dienen we van het volgende uit te gaan: er is een metafysische ch’i, die begrepen kan worden als de universele kracht of de universele adem. In een dynamisch-organische wijze van denken, is adem de meest klaarblijkelijke uitdrukking van een mysterieuze kracht. We zien deze kracht werken (en ademen) op een macrokosmisch niveau, bijvoorbeeld als wind. Het is duidelijk dat wind inderdaad lucht is, maar het is veel meer: het is bewegende lucht, en deze beweging wordt veroorzaakt door een innerlijke kracht. Lucht is het externe statisch aspect van wind, ch’i dynamiseert lucht en maakt het ademen. Brengen we deze idee op het menselijk niveau, dan kunnen we stellen dat ch’i zich veruitwendigt in adem. Dit betekent dat adem inderdaad ch’i is, maar ch’i is meer dan adem, het is de levenskracht alsdusdanig. We kunnen besluiten dat ch’i een organische, spontane kracht is die zich zelf het duidelijkst uitdrukt op het kosmisch niveau als kosmische adem, als wind; en op het menselijk niveau, zijn bestaan het duidelijkst bewijzend in de adem. In een organisch wereldbeeld is het normaal dat ‘hemel en aarde’ beschouwd worden als een organisme, dat een levenskracht bezit, en daaruitvolgend ademt.

Wanneer we ch’i vertalen als energie, moeten we voor ogen houden dat alles “ergeia” is, vermits de wereld een wordingsproces is. In het zijnsdenken wordt “ergeia” beschouwd als verstoring van het eeuwig zijn, en vraagt dus om een kracht, die deze “ergeia” doet gebeuren. Maar in een wordingswereld is alles in eeuwige beweging, en bestaat er geen materieel zijnde dat door een kracht in beweging wordt gebracht, maar is de materie zelf energie. Vandaar dat een vertaling als “materie-energie” aanvaardbaar is maar in feite is het een “vertaling”, die ch’i opsplitst in twee constituenten die tot het westers denken behoren. In China wordt materie beschouwd als gecondenseerde energie, zoa1s bij Wang Chung: “As water turns into ice, so the ch'i crystallise to form the human body.”

In China stond ademenergie bekend als ch’i (uitgesproken als tsji en soms geschreven als qi), en ch’i was een fundamentele component van het universum. De Hwangdi Neijing stelt:

'Dat wat van meet af aan in de hemel was is ch’i; op aarde wordt het zichtbaar als vorm; ch’i en vorm werken op elkaar in en brengen zo de ontelbare dingen voort.”

Er bestaan veel soorten ch’i, die soms aards en stoffelijk, bij andere gelegenheden hemels en onstoffelijk zijn, en haar effect kan men zien in de groei van een plant, in het denkvermogen, of in de energie die processen in werking stelt. Leven komt voort uit een accumulatie van ch’i; dood uit haar verdwijning. Ch’i betekent ook 'lucht', maar lucht werd als onstoffelijke lege ruimte gezien; ch’i is dus geen stoffelijke substantie, maar eerder een proces, kracht of energie. In het lichaam wordt ch’i echte ch’i genoemd, en deze wordt zowel uit lucht verkregen door de ademhaling als uit voedsel en water door consumptie. De Hwangdi Neijing verklaart:

“Echte ch’i is een combinatie van wat men van de hemel ontvangt en de ch’i uit water en voedsel. Ze doordringt het hele lichaam.”

Echte ch’i circuleert door het lichaam via twaalf hoofdbanen of meridianen. Deze meridianen zijn aan de buitenzijde van het lichaam in kaart gebracht, zodat de energiestromen met acupunctuur kunnen worden gereguleerd, hoewel de meridianen niet kunnen worden vereenzelvigd met enige anatomische structuren in het lichaam. Elke meridiaan is echter ook met een bepaald orgaan en een bepaalde functie verbonden, en de ch’i-stroom langs de meridiaan vervult die functie via de transformerende werking van ch’i. Zoals de Chinezen het formuleren:

“De meridianen zijn de kanalen voor de transformerende werking van ch’i in de massieve en holle organen” (Yijiang jingyi).

Er werd een aantal verschillende typen ch’i onderscheiden die waren verbonden met verschillende organen en hun functie:

“Zo is men alleen in staat te ruiken als Long-ch’i tot de neus doordringt; kan men de vijf kleuren alleen onderscheiden als Lever-ch’i tot de ogen doordringt; kan men alleen proeven als Hart-ch’i tot de tong doordringt; kan men slechts weten of men voedsel lekker of onsmakelijk vindt als Milt-ch'i tot de mond doordringt” (Zhongyixuee gailun).

De Chinezen meenden dat ch’i door de meridianen stroomde zoals water door een rivierbedding. De meridianen en hun kleinere vertakkingen bevloeiden het hele lichaam, zoals een rivier en zijn kanalen de velden in een dal bevloeien. Als in het lichaam ziekte ontstond, werden deze rivieren van leven erdoor beïnvloed, zodat er hetzij helemaal geen water stroomde (gebrek aan ch’i), hetzij de rivier op een bepaald punt gestremd was, met te veel water en overstroming vóór de stremming (zwelling, ophoping van ch’i) en te weinig water achter de stremming (wegkwijnen, gebrek aan ch’i.) Men meende dat de acupunctuurnaald de stremming verwijderde – rechtstreeks of door de kracht van de stroom op te voeren. Om een lang en vitaal leven te leiden werden mensen aangemoedigd hun ch’i te koesteren. Dat konden ze doen door op elk gebied matigheid te betrachten, door overdaad of tekort in voeding, lichaamsbeweging of seks te vermijden. Maar ook door externe bronnen van 'slechte' ch’i, zoals koude, vochtigheid, vrees, zelfs seks met geesten, te vermijden.

Geen opmerkingen: