maandag 26 januari 2009

Energie (6) Hart en warmte


In de meeste oude culturen werden het hart en de hartslag in verband gebracht met de ziel of geest. Het hart klopt van geboorte tot dood ritmisch en ononderbroken in het middelpunt van het lichaam. Het klopt sneller bij sterke emoties en bij inspanning. Het klopt langzamer bij veroudering en in rust. Het stoppen van de hartslag is synoniem met de dood. Het hart is het enige inwendige orgaan dat spontane beweging kent, en kan kloppend uit het lichaam worden genomen. Het is verbonden met de pulsering en beweging van het bloed. In Egypte bevatte het hart de levenskracht en de bron van goed en kwaad. Volgens het Dodenboek werd het hart van elk mens na de dood op een weegschaal tegen een veer afgewogen om de verhouding tussen goed en kwaad, en dus het lot van de ziel, te bepalen. In veel Indiase en Chinese talen zijn de woorden voor hart en geest min of meer synoniem. De tolteken en azteken van het oude Mexico rukten het nog kloppende hart uit hun menselijke offers om het aan hun zonnegod te offeren. De meeste oude culturen situeerden bewustzijn en emoties in het hart (of in de borst/longen). Interessant is dat de ziel ('psyche'), die na de dood voortbestond en nieuw leven voortbracht, vaak elders werd gesitueerd, meestal in de hersenen. Veel oude culturen hadden echter niet zo'n sterk dualistische opvatting van een scheiding tussen geest en lichaam. Het is dan ook niet altijd juist om over geest en lichaam afzonderlijk te spreken, of om de geest in een bepaald orgaan in het lichaam te situeren.

Oude culturen maakten vaak geen onderscheid tussen de letterlijke (of concrete) en metaforische of figuurlijke (of abstracte) toepassing van een begrip – het concept metafoor is pas in de vierde eeuw v.Chr. door Aristoteles bedacht. De oude Grieken gebruikten een woord zoals psyche dus om zowel naar een substantie in het lichaam als naar het gedrag van de ziel te verwijzen. Men is geneigd te zeggen dat de oude Grieken en andere vroege culturen letterlijker waren ingesteld en hun denken minder abstract was. In het moderne taalgebruik wordt echter evenmin veel onderscheid gemaakt tussen letterlijk en figuurlijk gebruik van woorden. Het woord 'energie' wordt algemeen gebezigd om allerlei dingen te beschrijven, van de stroom die via elektriciteitsdraad wordt geleverd tot de intensiteit van een artistieke prestatie. Tevens blijkt die letterlijke instelling uit de neiging om een eigenschap van een object te verklaren als het gevolg van een afzonderlijke substantie in het object (een onfortuinlijke neiging die bekendstaat als 'verstoffelijking'.) Dr. Pangloss verklaarde in Voltaires Candide in slaap vallen bijvoorbeeld als voortvloeiend uit een 'slaapbeginsel' in lichaam of geest. Zo is ook 'leven', dat in essentie een toestand of vorm van zijn is, in termen van stof verklaard: leven of vis viva (de levenskracht). Dingen met kracht of hartstocht doen is verklaard in termen van het bezitten van 'energie', waarbij de energie verschaffende substantie in lichaam of geest rondwervelt. Een eigenschap of gedrag als 'ding' beschouwen kan in sommige gevallen nuttig zijn, maar er zijn meer wetenschappelijke of intellectuele vorderingen gemaakt door 'dingen' in termen van processen uit te leggen. De meeste wetenschappers denken dus niet langer aan leven of energie als dingen die door afzonderlijke stoffen te verklaren zijn. Het zijn eerder specifieke ordeningen of processen van materie. In het normale spraakgebruik hebben leven en energie nog altijd een combinatie van letterlijke en figuurlijke betekenissen, die deels betekenissen uit veel vroeger tijden weerspiegelen.

In oude culturen werd het kloppen van het hart geassocieerd met het bewegen van bloed in het lichaam, zoals bleek uit de polsslag en de ritmische manier waarop bloed uit doorgesneden slagaders gutste. De polsslag werd in de geneeskunde van het oude Griekenland, India en China gebruikt voor diagnose van gezondheid en ziekte, kracht en dood. De felle kleur van bloed, de dramatische manier waarop het uit wonden gutst, zijn vermogen om, eenmaal buiten het lichaam, snel te stollen, en het feit dat bloedverlies met de dood samenhing, droegen allemaal bij aan het idee dat het nauw verbonden was met leven. In sommige culturen werd bloed in feite als de levenssubstantie zelf gezien. Er zijn veel begraafplaatsen uit de steentijd ontdekt waarin de beenderen waren bedekt met rode oker, die waarschijnlijk bloed voorstelde, wat erop wijst dat het verband tussen bloed en leven (of dood) al zeer lang wordt gelegd. Het drinken van bloed, letterlijk of symbolisch (zoals in de christelijke eucharistie), was een manier om de ziel/energie van mens, dier of god op de drinker over te dragen.

Onze holbewoner heeft nu een paar theorieën, maar zijn holbewoonster schijnt er weinig mee op te schieten. Ze is koud geworden. De holbewoner moet nu nog een artikel toevoegen aan zijn lijst van verschillen tussen de levenden en de doden: lichaamswarmte. De lichaamstemperatuur van levende zoogdieren en vogels is normaal hoger dan de temperatuur van hun omgeving, en koelt bij de dood tot die van hun omgeving af. Als onze lichaamstemperatuur meer dan een paar graden daalt, bijvoorbeeld wanneer we in ijskoud water vallen, dan sterven we al snel. Warmte is duidelijk op een belangrijke manier met leven verbonden. In preïndustriële tijden waren dieren, vuur en de zon de enige significante warmteproducenten. Aristoteles beschouwde de levenskracht bijvoorbeeld deels als een soort vuur in het lichaam. En het verband dat tussen warmte (en beweging) en de levenskracht werd gelegd verklaart mogelijk het wijdverbreide geloof dat de zon een god was, en het gebruik van vuur bij religieuze rituelen. In feite is er nog een aantal belangrijke overeenkomsten tussen leven en vuur: beide worden voortgebracht door verbranding van organisch materiaal (brandstof/voedsel) met lucht (aangevoerd door blaasbalg of ademhaling), resulterend in warmte, beweging en als bijproduct afval (as, fecaliën). Deze analogie was zowel in het oude Griekenland als in veel recenter tijden belangrijk. Ze was immers het sleutelconcept in het ontstaan van de moderne wetenschappelijke opvatting van fysieke energie, hoewel de theorie pas echt kon worden toegepast toen Lavoisier in de achttiende eeuw chemische denkbeelden over verbranding ontwikkelde.

Geen opmerkingen: