maandag 12 januari 2009

Plato's grot (1) Paideia


De filosofie heeft volgens Plato tot taak de ziel uit haar ‘verdoofde’ staat in het lichaam te wekken en haar te bevrijden van haar kluisters. Dit moeizame vormingsproces van de ziel beschrijft Plato als een ommekeer van de ziel uit het nachtelijk duister naar het daglicht waarin ze het ware zijnde aanschouwt. (de Republiek, 521c).

Het onderwijzen van deze opgang naar het licht van de waarheid is bovenal een pedagogie, een opvoeding. Een pedagoog in de platonische zin leidt de ziel uit haar staat van onwetendheid en ongevormdheid naar paideia. Paideia staat bij Plato voor het ideaal van een omvattende intellectuele en morele vorming. Via een uitgelezen en zorgvuldig samengesteld leerplan van wetenschappen en kunsten moet de leerling gevormd worden tot een deugdzaam en goed mens wiens leven geleid wordt door inzicht in het goede.

De wijsgerige vorming behandelt Plato uitvoerig in de Republiek (de titel van dit boek, Politieia, wordt ook wel vertaald als de Staat of de Constitutie.) In dit omvangrijke werk schetst hij een blauwdruk van de ideale samenleving. De mogelijkheid om zo’n ideale samenleving ook in de praktijk te realiseren staat of valt met de wijsheid en deugd van haar leiders. Alleen als de leiders vrij zijn van eigenbelang en persoonlijke ambities en hun oog gevestigd houden op het goede, heeft de ideale staat een kans van slagen. Dat betekent, zo merkt Plato op, dat de regeerders filosofen moeten zijn, ofwel dat de filosofen de taak van de regeerders op zich dienen te nemen. Maar wat zijn filosofen? Socrates definieert.

“Filosofen zijn zij die in staat zijn te leven in contact met datgene wat altijd aan zichzelf gelijk en op dezelfde wijze is.”

(Plato, de Republiek, VI 484b. Vert. Cornelis Verhoeven, in Mensen in een grot)

Gewone mensen (de massa) daarentegen ‘zwerven rond in het vele, dat telkens anders is.’ Filosofen zijn zij die leven vanuit de aanschouwing van het ware en onveranderlijke zijn, de ideeën, en bovenal de hoogste idee: het goede. Maar, zo wordt sceptisch door Socrates’ gesprekspartner Glauco opgemerkt, zijn filosofen niet ietwat onpraktische mensen voor de politiek? Ja, zegt Socrates, in de huidige situatie is de filosofie een soort tijdverdrijf voor de jeugd, een spel dat niet serieus wordt genomen en dat men achter zich laat wanneer het echte leven begint. Dat komt omdat de opvoeding verkeerd in elkaar steekt. De beoefening van de filosofie vereist een langdurige en zorgvuldige voorbereiding. Men moet beginnen met de selectie van jonge mensen op hun begaafdheid en natuurlijke aanleg; de kandidaten moeten vervolgens een zwaar trainingsprogramma ondergaan waarin ze getest worden op hun fysieke en morele kwaliteiten. Daarna dienen ze een vele jaren durende vooropleiding te volgen in de mathematische studies – rekenkunde, meetkunde, astronomie en muziektheorie. Het doel van deze mathematische training is om de geest van de filosoof in spe los te maken van de veelvormige zintuiglijke concreetheid en hem te leren abstract te denken.

Na deze voorbereiding in abstract denken komt de eigenlijke studie van de wijsgerige dialectiek. Dialectiek, letterlijk de kunst van de dialoog, is bij Plato de wetenschap van de ideeën. Dialectiek is wat we Socrates voortdurend zien doen in de dialogen: door vraag en antwoord rekenschap geven van de werkelijkheid zelf. Uitgaande van een hypothese en door vervolgens deze vooronderstelling kritisch van alle kanten te onderzoeken, wordt ernaar gestreefd een objectieve waarheid te bereiken die gefundeerd is in de werkelijkheid zelf. Plato noemt de dialectiek de hoogste wetenschap omdat erin getracht wordt alle kennis te funderen in een hoogste principe. Dit hoogste principe is de idee van het goede. Pas wanneer de filosoof door de dialectiek in contact gebracht is met het goede zelf en daarin zijn kennis over wat goed en juist is verankert, is de intellectuele vorming – de pedagogie – voltooid en is de filosoof voldoende toegerust om zijn taak als bestuurder van de samenleving op zich te nemen.

Het proces van de filosofische vorming is door Plato beschreven in een zinnebeeldig verhaal. Dit in de geschiedenis van de filosofie beroemd geworden verhaal gaat over mensen die wonen – vastgebonden en in sommige vertalingen gevangen zitten – in een onderaards verblijf te midden van schaduwen en afbeeldingen, en die vervolgens worden bevrijd en omhoog geleid naar de buitenwereld – de echte werkelijkheid – waar ze hun ogen langzaam wennen aan het verblindende licht van de zon en in dat licht de dingen zelf leren te aanschouwen.

De grot van Plato, Ets van Jan Saenredam, naar Cornelis van Haarlem, 1604. Albertina Wien

Geen opmerkingen: