dinsdag 13 januari 2009

Stof - lichaam - geest (1)


Mensen zijn materiële wezens met een bepaalde omvang, opgebouwd uit moleculen. Maar mensen zijn ook levende, en daardoor sterfelijke, wezens met een bloedsomloop en beharing. Bovendien zijn mensen zelfbewuste en sociale wezens met plannen en bedoelingen. Is het mogelijk deze verschillende aspecten van de mens in één totaalbeeld te integreren?

In een tijdschrift voor geneeskunde stond een opvallend artikel over een ernstig depressieve man die had getracht zichzelf om te brengen door zijn pols door te snijden en daarna landbouwgif (Parasect) te drinken. De ingenomen stof, een cholinesterase-remmer, veroorzaakte een loopneus, trage hartslag, lage bloeddruk, bewustzijnsdaling, spiertrekkingen en braken. Zijn maag werd gespoeld, hij werd gesedeerd en aan de beademing gelegd. Er traden nogal wat complicaties op. Cholinesterase-remmers, die in het landbouwgif zaten, zijn stoffen die binnen ons zenuwstelsel flink kunnen huishouden omdat ze de prikkeloverdracht tussen neuronen ontregelen, vaak met fatale gevolgen. Daar is het spul ook op gemaakt: het is ontworpen om de prikkeloverdracht binnen het zenuwstelsel van een insect op dodelijke wijze te verpesten.

De schrijvers van het artikel gingen uitgebreid in op de activiteiten van het landbouwpreparaat in het lichaam en wat zij als artsen daartegen ondernamen. Na op de intensive care over een aantal hordes te zijn geleid (longontsteking, hartfalen, epileptische aanval) kon de man van de beademing af en had hij er naast zijn ernstige depressie ook een aanzienlijke dosis fysieke ellende bij gekregen: hij had nu sterk verzwakte en verstijfde armen en benen, en zijn handen stonden in een dwangstand. De schrijvers besluiten “Wegens een persisterende depressie werd patiënt uiteindelijk overgeplaatst naar een psychiatrisch ziekenhuis.”

Wat zo opviel in het artikel was dat zelfs maar een glimp van enig besef ontbrak wat voor een ellende deze man moest doorstaan. De vraag bijvoorbeeld of hij het prettig vond door hen “gered” te zijn? Of de vraag of het een goede daad was om hem, niet alleen als geestelijk maar nu ook als lichamelijk wrak terug het leven in te duwen?

Tegen een dergelijk beperkte benadering van de mens en tegen de pijn die daar uit voortvloeit, is ooit de term ‘holistische geneeskunde’ bedacht. In het sombere licht van bovenstaande ziektegeschiedenis is het zinvol om eens stil te staan bij het begrippenapparaat waarmee de arts de zieke mens tegemoet treedt en de vraag te stellen of het bovenstaande vermijdbaar is. Vermijdbaar, maar dan wel op andere gronden dan de aansporing dat artsen “gewoon eens menslievender” moeten worden, want dat werkt niet, weten we.

Geen opmerkingen: